ECLI:NL:RBMNE:2026:739

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/16/604249
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling minderjarige wegens voorkeur vrijwillige hulpverlening

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar, vanwege zorgen over het zelfbepalend gedrag van de minderjarige en een recent incident met fysiek geweld tussen de minderjarige en zijn moeder.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en de minderjarige woont bij haar. De Raad maakte zich zorgen over het gebrek aan grip van de moeder en het niet meewerken van de moeder aan het onderzoek, waardoor het beeld van de thuissituatie onvolledig bleef.

De kinderrechter erkent de zorgen van de Raad, maar constateert dat er al hulpverlening binnen het vrijwillige kader plaatsvindt, waaronder contact met de leerplichtambtenaar, het samenwerkingsverband en Christ for Youth. Er is een traject vanuit Concern voor werk afgesproken.

De kinderrechter en de gecertificeerde instelling vrezen dat het opleggen van dwang de moeder zal doen terugtrekken, waardoor ook de huidige hulpverlening niet meer geaccepteerd zal worden. Daarom wordt het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen en wordt een oproep gedaan aan Veilig Thuis Flevoland en Jeugd Lelystad om de mogelijkheden voor vrijwillige hulpverlening verder te onderzoeken.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen vanwege de voorkeur voor voortzetting van hulpverlening binnen het vrijwillige kader.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/604249 / JL RK 25-882
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 december 2025, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [A] en [B] namens de Raad;
- [C] namens de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter wijst het verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen af. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
De Raad maakt zich zorgen om [minderjarige] , omdat hij veel zelfbepalend gedrag laat zien. Zo bepaalt hij zelf of en hoe de gesprekken verlopen rondom de hulpverlening voor zijn school. Het lukt de moeder niet voldoende om grip op hem te krijgen en aansturing aan hem te geven. Recentelijk heeft er tussen [minderjarige] en zijn moeder een incident met fysiek geweld plaatsgevonden. De Raad vreest dat de moeder door dit incident nog minder grenzen durft te stellen voor [minderjarige] . Ook maakt de Raad zich zorgen om het feit dat de moeder niet heeft meegewerkt aan het Raadsonderzoek. De moeder neemt hierdoor geen verantwoordelijkheid voor de zorgen die er zijn, waardoor de Raad geen volledig en duidelijk beeld van de thuissituatie heeft kunnen krijgen.
4.3.
De kinderrechter ziet de zorgen van de Raad en ook dat het de Raad niet gelukt is om zicht op [minderjarige] te krijgen. De kinderrechter ziet echter ook dat [minderjarige] en zijn moeder contact hebben met de leerplichtambtenaar en het samenwerkingsverband en dat Christ for Youth is betrokken Deze instanties hebben wel zicht op [minderjarige] . Zo is onder meer afgesproken dat [minderjarige] gaat starten met een traject vanuit Concern voor werk. De kinderrechter heeft, net als de GI, de zorg dat wanneer er meer dwang komt binnen de hulpverlening, de moeder zich meer zal terugtrekken en uiteindelijk ook de huidige hulpverlening niet meer zal accepteren. Vanwege deze verwachting is het in het belang van [minderjarige] wenselijker om te proberen om de hulpverlening binnen het vrijwillige kader verder uit te bouwen, dan verplichte hulpverlening in te zetten. De kinderrechter doet hierbij een uitdrukkelijke oproep aan Veilig Thuis Flevoland en Jeugd Lelystad om te onderzoeken welke hulpverlening binnen het vrijwillig kader ingezet kan worden voor dit gezin.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door
mr. M. Weistra, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 30 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.