Op 25 november 2025 diende de beoogd bewindvoerder een verzoek tot onderbewindstelling in voor verzoekster, die naar verluidt lijdt aan dementie en daardoor niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 26 januari 2026, die online plaatsvond, verschenen verzoekster, de beoogd bewindvoerder en haar dochters. Eén dochter steunde het verzoek, terwijl de andere geen bezwaar had tegen bewind maar wel tegen de voorgestelde bewindvoerder.
De kantonrechter stelde vast dat verzoekster de strekking van het verzoek niet begrijpt, zowel uit het verzoekschrift als tijdens de zitting. Omdat bewind alleen op verzoek van de betrokkene kan worden uitgesproken en verzoekster niet zelf het verzoek heeft ingediend, verklaarde de rechtbank haar niet-ontvankelijk. Het feit dat dochters het verzoek noodzakelijk achten, verandert hier niets aan.
De kantonrechter wees ook op de procedurele vereisten dat verzoeken schriftelijk moeten worden ingediend door de verzoeker zelf. De mededeling dat een dochter als verzoekster kan worden aangemerkt, is onvoldoende. Het verzoek wordt daarom afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.