ECLI:NL:RBMNE:2026:742

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2601309:R-RK
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening moratorium wegens huurachterstand en ontruiming

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet, met als doel een moratorium te verkrijgen om ontruiming van de woning te voorkomen. De verhuurders, meneer en mevrouw [naam 1], hebben het verzoek bestreden en gesteld dat zij aan hun verplichtingen hebben voldaan en aanzienlijke schade hebben geleden door de huurachterstand.

De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening bedoeld is om een adempauze te creëren voor schuldenaren om een minnelijke schuldregeling te treffen, waarbij ook de lopende verplichtingen moeten worden nagekomen. De belangen van verhuurders om de woning te ontruimen en verdere financiële schade te voorkomen wegen zwaarder dan het belang van verzoeker om in de woning te blijven. Verzoeker staat niet ingeschreven op het adres en het is onduidelijk of hij elders terecht kan.

Daarnaast is onvoldoende inzicht gegeven in de schuldenlast en de financiële situatie van verzoeker. De rechtbank heeft twijfels over de betalingsbereidheid van verzoeker, mede omdat hij bewust is gestopt met betalen na mededelingen van verhuurders over verkoop en ontbinding van de huurovereenkomst. Verzoeker staat nog aan het begin van het schuldhulpverleningstraject en heeft ruimschoots gelegenheid gehad zich aan te melden.

Op grond van deze overwegingen wijst de rechtbank het verzoek af. De beslissing is genomen door rechter P.J. Neijt en griffier R.A. Oelen en is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen en de ontruiming van de woning kan doorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: NL:TZ:2601309:R-RK
uitspraakdatum: 27 januari 2026
Uitspraak op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats]
verzoeker,
hierna te noemen [verzoeker] ,
tegen
[A] en [B] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: meneer en mevrouw [naam 1] ,
gemachtigde: mr. N. Roodenburg,
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
Waar de zaak over gaat
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De rechtbank wijst het verzoek af en legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure bestaat uit:
- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- de zitting van maandag 26 januari 2026, waarbij aanwezig waren:
- De heer [verzoeker] ;
- Mr. N. Roodenburg, namens meneer en mevrouw [A] en [B] , hierna te noemen de gemachtigde;
- Mevrouw [naam 2] , namens Zuidweg & Partners .

2.Het verzoek

2.1
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om meneer en mevrouw [naam 1] te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van 25 november 2025. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert tot een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te komen.

3.Het verweer

3.1
Meneer en mevrouw [naam 1] stellen zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen.
3.2
Op de zitting van 26 januari 2026 heeft de gemachtigde van meneer en mevrouw [naam 1] verklaard dat zij op 8 augustus 2025 een brief hebben gestuurd om hem te waarschuwen en dat hij zich kan aanmelden bij vroegsignalering voor de huurachterstand bij de gemeente. Daarin is aangegeven dat [verzoeker] zich kan aanmelden bij de gemeente of dat als hij toestemming hiervoor geeft de gemachtigde dit voor hem kan doen. Hierop is geen reactie gekomen.
3.3
Meneer en mevrouw [naam 1] hebben al veel schade geleden door het niet betalen van de huur door [verzoeker] , de kosten voor het inschakelen van een gerechtsdeurwaarder en de kosten die zijn gemaakt voor het inschakelen van de gemachtigde. Dit geld hebben zij al moeten afschrijven. Om de schade niet verder te laten oplopen verzoeken zij de rechtbank om het verzoek af te wijzen.

4.De beoordeling

4.1
De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw strekt ertoe om een adempauze te creëren die schuldenaren in staat stelt het minnelijk traject voort te zetten om met hun schuldeisers een regeling te bereiken of af te ronden. Voor het geven van de voorziening is van belang dat er zicht is op een mogelijke schuldregeling en dat de lopende verplichtingen gedurende de adempauze kunnen worden voldaan.
4.2
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat het belang van meneer en mevrouw [naam 1] om de woning vanwege de huurachterstand te ontruimen en het niet verder laten oplopen van de financiële schade zwaarder weegt dan het belang van [verzoeker] om gedurende het schuldhulpverleningstraject in de woning te mogen blijven wonen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk of [verzoeker] niet ergens anders terecht kan. [verzoeker] staat volgens het BRP niet ingeschreven op het adres van de betreffende woning. Volgens het huurcontract zou [verzoeker] de woning al sinds 2012 huren, maar volgens het BRP heeft hij hier nooit ingeschreven gestaan. Wel staat hij in de tussenliggende periode op andere adressen ingeschreven, waaronder het adres waar hij op dit moment ingeschreven staat. Niet duidelijk is geworden dat [verzoeker] op dit moment daar niet heen kan. Meneer en mevrouw [naam 1] hebben zich ook aan hun verplichtingen gehouden en hebben [verzoeker] ook op 8 augustus 2025 gewaarschuwd en aangegeven dat [verzoeker] zich kan aanmelden voor vroegsignalering bij de gemeente.
4.3
Daarnaast kijkt de rechtbank naar de belangen van de overige schuldeisers, en wat hun belang is bij het wel of niet ontruimen van [verzoeker] uit de woning. De rechtbank heeft de belangen van de schuldeisers onvoldoende kunnen afwegen omdat er geen schuldenlijst is aangeleverd. Het is voor de rechtbank niet duidelijk welke schuldeisers er zijn, hoe hoog de schulden zijn en wanneer de schulden zijn ontstaan. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij in 2024 zijn gereedschap heeft verkocht om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dit heeft [verzoeker] naar eigen zeggen € 8.000,- opgeleverd. De rechtbank heeft niet kunnen achterhalen waar deze € 8.000,- aan uitgegeven is en in hoeverre dit ten goede had moeten komen aan de schuldeisers.
4.4
Verder overweegt de rechtbank dat het niet zeker is dat [verzoeker] zijn lopende huurpenningen zal betalen, aangezien het voor de rechtbank niet duidelijk is wat de inkomsten van [verzoeker] zijn op dit moment. [verzoeker] heeft een onderneming en heeft aangegeven hier inkomsten uit te verkrijgen. De rechtbank heeft enkel de jaarstukken van 2023 ontvangen van zijn onderneming en kan op basis daarvan geen inschatting maken over hoe rendabel zijn onderneming op dit moment is. De rechtbank heeft ook onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [verzoeker] zijn huur nu wel (op tijd) gaat betalen. Zo heeft [verzoeker] de huur van januari pas op 20 januari 2026 betaald. De rechtbank kan hier niet genoeg vertrouwen uit afleiden dat [verzoeker] de volgende huurpenningen tijdig zal betalen.
4.5
Uit de stukken leidt de rechtbank af dat [verzoeker] onder andere gestopt is met betalen, omdat meneer en mevrouw [naam 1] hadden laten vallen dat verhuren niet meer rendabel is, ze de woning willen verkopen en de huurovereenkomst willen laten ontbinden. Dit zou grote impact op [verzoeker] gehad hebben waardoor hij is gestopt met het betalen van de huur. [verzoeker] geeft aan dat hij nu weet dat hij toen ook door had moeten betalen op het moment dat hem die mededeling werd gedaan. De rechtbank leidt hier ook uit af dat [verzoeker] bewust gestopt is met betalen en is van oordeel dat dit ook aan hem is aan te rekenen.
4.6
Tot slot staat [verzoeker] nog aan de start van het schuldhulpverleningstraject, terwijl hij ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om zich aan te melden voor de schuldhulpverlening.
4.7
Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal op een nader te bepalen datum worden beslist.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. P.J. Neijt, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op dinsdag 27 januari 2026.