ECLI:NL:RBMNE:2026:753

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/7171
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het CBR van 2 december 2025 waarbij zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard wegens het niet tijdig betalen van opleggingskosten voor een cursus verantwoord rijgedrag.

Het CBR heeft op 11 december 2025 het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard en de ongeldigverklaring van het rijbewijs opgeheven. Verzoeker heeft telefonisch aangegeven het verzoek om voorlopige voorziening te willen intrekken, maar heeft dit niet schriftelijk bevestigd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht van €194,- niet binnen de gestelde termijn is betaald, ondanks een aangetekende brief waarin verzoeker werd verzocht dit alsnog te doen. Er is geen verontschuldiging voor het niet betalen van het griffierecht gegeven.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7171

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR van 2 december 2025 waarbij zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Met het bestreden besluit van 2 december 2025 heeft het CBR het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard omdat hij de opleggingskosten voor een cursus over verantwoord rijgedrag niet tijdig heeft betaald. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Op 11 december 2025 heeft het CBR een beslissing op bezwaar genomen. Daarin is de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker opgeheven.
1.4.
Verzoeker heeft telefonisch aan de griffier meegedeeld dat hij het verzoek om voorlopige voorziening wil intrekken. Hij heeft echter nagelaten om dit schriftelijk te bevestigen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 11 december 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 13 december 2025 om 10:29 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoeker heeft hiervoor geen reden gegeven. Het niet betalen van het griffierecht is echter in lijn met zijn telefonisch geuite wens om het verzoek om voorlopige voorziening in te trekken. De voorzieningenrechter constateert dat er dus geen verontschuldiging is voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.