ECLI:NL:RBMNE:2026:780

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/714
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid, WmmArt. 4, eerste lid, aanhef en onder e, WmmArt. 10:3, derde lid, AwbArt. 6:19, eerste lid, AwbArt. 13 Wmm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontheffing geluiddemper voor ganzenbeheer wegens terughoudend beleid en ontbreken dienstverband

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor ontheffing van het verbod op het voorhanden hebben van een geluiddemper ten behoeve van ganzenbeheer. De minister heeft deze aanvraag op 31 juli 2024 afgewezen en dit besluit bij bezwaar gehandhaafd. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Na een tussenuitspraak van de rechtbank waarin een procedureel gebrek werd vastgesteld, heeft de minister een nieuw besluit genomen dat het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang, nu het eerste besluit is ingetrokken. Het beroep tegen het tweede besluit is inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De minister mocht uitgaan van het negatieve advies van de korpschef, die oordeelde dat eiser geen redelijk belang had omdat hij niet in dienst is van een natuurorganisatie die zich bezighoudt met wildbeheer en schadebestrijding.

De rechtbank bevestigt dat geluiddempers in categorie 1 van de Wet wapens en munitie vallen, waarvoor een terughoudend beleid geldt om misbruik te voorkomen. Het beleid van de minister om ontheffing alleen te verlenen aan personen met een dienstverband bij een natuurorganisatie is niet onredelijk en strookt met eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de stelling dat het gebruik van geluiddempers geluidsoverlast vermindert, slaagt niet.

De rechtbank bepaalt dat de minister het griffierecht van eiser moet vergoeden omdat het beroep tegen het eerste besluit terecht was ingesteld. De gevraagde ontheffing wordt niet verleend.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond; de gevraagde ontheffing wordt niet verleend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/714

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. D.L. van der Wijst en mr. R. Stehouwer).

Waar gaat deze zaak over?

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een ontheffing voor het voorhanden hebben van een geluiddemper ten behoeve van ganzenbestrijding. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 31 juli 2024 afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van eiser van 20 december 2024 (bestreden besluit 1) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2025. Eiser is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
In de mondelinge tussenuitspraak van 29 augustus 2025 (de tussenuitspraak [1] ) heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op 23 oktober 2025 (bestreden besluit 2). Daarbij heeft hij het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard. Ook heeft hij hierbij bestreden besluit 1 ingetrokken.
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026. Eiser is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen over bestreden besluit 1

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat aan het bestreden besluit 1 een gebrek kleeft omdat het bestreden besluit 1 door dezelfde persoon is genomen als het primaire besluit. Dit is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. De minister heeft met het bestreden besluit 2, bestreden besluit 1 ingetrokken. Eiser heeft niet gesteld schade te hebben geleden als gevolg van bestreden besluit 1. Eiser heeft in de bezwaarfase niet gevraagd om een proceskostenvergoeding. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1. De rechtbank verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk. Omdat eiser wel terecht beroep had ingesteld tegen bestreden besluit 1 ziet de rechtbank wel reden om te bepalen dat de minister het griffierecht van eiser moet vergoeden.

Overwegingen over bestreden besluit 2

3. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook betrekking op bestreden besluit 2.
4. Eiser voert in de zienswijze aan dat hij het nog steeds niet eens is met het bestreden besluit. Hij heeft daarvoor een aantal gronden aangevoerd. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Hierna zal de rechtbank dit oordeel aan de hand van de ingediende gronden bespreken.
De inhoud van het besluit
5. Eiser heeft bij brief van 5 oktober 2023 verzocht om ontheffing voor een geluiddemper ten behoeve van ganzenbeheer. De minister heeft aan de korpschef om advies gevraagd. De korpschef heeft op 21 mei 2024 advies uitgebracht. De korpschef heeft negatief geadviseerd, omdat eiser geen medewerker is van een natuurorganisatie die zich bezighoudt met wildbeheer en schadebestrijding. Daarom is volgens de korpschef het redelijk belang niet voldoende aangetoond. Bij besluit van 31 juli 2024 is de aanvraag afgewezen. Aangezien eiser zelf een aanvraag heeft ingediend en niet een natuurorganisatie, is er volgens de minister geen ‘redelijk belang’ om aan eiser ontheffing te verlenen.
6. In het bestreden besluit 2 heeft de minister verder toegelicht dat ontheffing voor gebruik van geluiddempers kan worden verleend voor onder andere beroepsdoeleinden, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet wapens en munitie (Wmm). Daar is alleen sprake van bij een dienstverband tussen de gebruiker van de geluiddemper en een organisatie die is belast met (wild)beheer en schadebestrijding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), de hoogste rechter in deze zaken, heeft daarover in de uitspraak van 21 augustus 2019 geoordeeld dat dit niet onredelijk is. [2] Eiser is niet in dienst van zo’n natuurorganisatie. De eigen onderneming van eiser, [bedrijf] B.V., kan ook niet zo worden aangemerkt. Verder heeft de minister toegelicht dat de algemene veiligheid in de samenleving van belang is voor beoordeling van de aanvraag voor ontheffing voor het voorhanden hebben van een geluiddemper. Dit heeft namelijk een ander toetsingskader met een eigen risicoafweging van voor het hebben van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit.
Relevante regelgeving
7. In artikel 2, eerste lid, categorie 1, onder drie, van de Wmm worden geluiddempers voor vuurwapens genoemd. Het voorhanden hebben hiervan is op grond van artikel 13 van Pro de Wmm verboden. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wmm kan de minister ontheffing verlenen voor het voorhanden hebben van geluiddempers, voor (onder andere) beroepsdoeleinden.
Oordeel van de rechtbank
Korpschef
8. Eiser heeft aangevoerd dat de minister het besluit vooringenomen heeft genomen. Het advies wat de korpschef heeft gegeven was niet onafhankelijk. Bij het telefonisch contact dat eiser heeft gehad met de korpschef liet de korpschef namelijk al weten een negatief advies uit te brengen, omdat Justis de aanvraag zou gaan afkeuren. Dit komt niet overeen met de opdracht dat de korpschef een onafhankelijk oordeel moet geven over of eiser betrouwbaar is.
9. De rechtbank stelt vast dat uit het adviesformulier inderdaad volgt dat de korpschef beoordeelt of eiser betrouwbaar is. Uit het formulier volgt ook dat de korpschef daarnaast ook beoordeelt of sprake is van een redelijk belang voor ontheffing en of in dat verband voldoende veiligheidsmaatregelen worden genomen. Het standpunt van eiser dat de korpschef alleen beoordeelt of eiser betrouwbaar is en dus buiten zijn boekje is gegaan, volgt de rechtbank niet. De minister mocht uitgaan van het advies van de korpschef en dit betrekken bij zijn eigen beoordeling. Er zijn geen aanwijzingen voor het oordeel dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ook is verder niet gebleken dat de minister geen zorgvuldige afweging heeft gemaakt. Het overschrijden van termijnen voor het nemen van het besluiten levert geen zorgvuldigheidsgebrek op. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beleid
10. Ook heeft eiser aangevoerd dat het beleid van de minister over het verlenen van ontheffingen voor geluiddempers onredelijk is. Eiser verwijst daarvoor naar het rapport ‘Ringen rond de roos’ van de Commissie Wet wapens en munitie uit 2022 [3] en naar de uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 11 juli 2023. [4]
11. De minister heeft toegelicht dat een zeer terughoudend beleid wordt gevoerd voor het verlenen van ontheffing van het verbod op het voorhanden hebben van een geluiddemper. Het doel van deze terughoudendheid is te voorkomen dat geluiddempers in criminele organisaties terechtkomen. Door het gebruik van geluiddempers te koppelen aan een natuurorganisatie in plaats van aan individuele jagers is er meer toezicht en verantwoordelijkheid. Op deze manier wordt ook het aantal geluiddempers in omloop beperkt. De minister heeft verder op de zitting toegelicht dat het rapport “Ringen rond de roos” van de Commissie Wet wapens en munitie uit 2022 een advies betreft en geen bindende werking heeft. De minister heeft ook verder toegelicht dat de regelgever bezig is met onderzoeken of en hoe vorm gegeven kan worden aan de adviezen uit het rapport.
12. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraken van de rechtbank Den Bosch van 11 juli 2023 en 24 december 2024 [5] – kortgezegd - is geoordeeld dat de minister het door hem gevoerde beleid niet zonder meer had kunnen toepassen. De minister heeft namelijk de juistheid van wat in het rapport van de Commissie Wet wapens en munitie staat niet ter discussie gesteld. De rechtbank Den Haag heeft over dit onderwerp ook een uitspraak gedaan op 14 maart 2025. [6] Daarin is geoordeeld dat het advies gericht is aan de regelgever en dat daarom niet de waarde aan het rapport gehecht kan worden zoals de eiser in die zaak dat wenst.
13. De rechtbank stelt vast dat geluiddempers nu worden genoemd in categorie 1 van artikel 2, eerste lid, van de Wmm. Voor die categorie gelden strenge regels. De minister moet, zoals hij heeft toegelicht, daarom voorzichtig omgaan met het verlenen van ontheffingen voor geluiddempers. Om die reden geldt er nu een zeer terughoudend beleid voor ontheffingen. Het rapport van de Commissie Wmm geeft de wetgever wellicht reden om zich over de plaatsing van geluiddempers in categorie 1 te herbezinnen. Op dit moment heeft het rapport echter nog niet geleid tot een verandering van de categorisering van geluiddempers. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de minister op dit moment nog moet uitgaan van de plaatsing van de geluiddempers in categorie 1 van artikel 2, eerste lid, van de Wmm en het daarbij behorende terughoudende beleid voor het verlenen van ontheffing van het wettelijke verbod. Op dit moment is er ook geen nadere motivering nodig van de minister. De beroepsgrond slaagt niet.
Werkzaam bij een natuurorganisatie
14. Verder heeft eiser aangevoerd dat de aanvraag op een onjuiste manier is beoordeeld. Dat heeft er volgens eiser alles mee te maken dat de benodigde ontheffingen van de Provinciale staten of Gedeputeerde staten om ganzen te mogen schieten via Faunabeheereenheid (FBE)/Wildbeheereenheid (WBE) direct aan eiser persoonlijk zijn uitgegeven. Indirect is eiser dus feitelijk wel werkzaam voor een natuurorganisatie, stelt eiser. Het onderscheid wat wordt gemaakt door de minister is daarom onredelijk.
15. De rechtbank stelt vast dat een ontheffing van het verbod om een geluiddemper voorhanden te hebben vanwege beroepsdoeleinden – wat hier aan de orde is – uitsluitend wordt verleend als het gaat om personeelsleden in dienst van een natuurorganisatie die zich bezighoudt met (wild)beheer en schadebestrijding in een onder het beheer van deze organisatie vallend natuurgebied. De Afdeling heeft geoordeeld dat de door de minister gegeven invulling aan het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm gestelde criterium ‘beroepsdoeleinden’, namelijk dat sprake moet zijn van een (betaald) dienstverband tussen de gebruiker van de geluiddemper en een organisatie die belast is met (wild)beheer en schadebestrijding, niet onredelijk is. Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat het gemaakte onderscheid tussen organisaties met jagers in loondienst enerzijds en jagers die niet in dienst zijn van een organisatie in het kader van (wild)beheer en schadebestrijding anderzijds niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. [7]
16. De rechtbank ziet in was eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om het oordeel van de Afdeling over de invulling van het gestelde criterium ‘beroepsdoeleinden’ niet te volgen. Verder stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser niet in dienst is van een natuurorganisatie die zich bezig houdt met (wild)beheer en schadebestrijding. Eiser verricht wel deze werkzaamheden, maar dan voor zijn eigen bedrijf. Dit betekent dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm in dit geval geen grondslag biedt om de gevraagde ontheffing te verlenen en het verzoek in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
Gelijkheidsbeginsel
17. Daarnaast voert eiser aan dat bij de bestrijding van de Afrikaanse varkenspest ook ontheffingen zijn verleend voor geluiddempers waarbij deze aan geen van de voorwaarden voldeden.
18. Voor zover eiser met deze stelling een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, kan dit beroep niet slagen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake was van gelijke gevallen, waarbij wel ontheffingen voor geluiddempers zijn verleend.
Belangenafweging
19. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de minister in de belangenafweging niet heeft betrokken dat het gebruik een geluiddemper ook van belang is voor de dieren en mensen, omdat de jacht op ganzen dan minder geluidsoverlast en verstoring veroorzaakt.
20. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de belangenafweging het belang van wapenveiligheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eiser bij het verlenen van de ontheffing en het belang van het verminderen van geluid. De minister heeft daarbij terecht overwogen dat sprake is van een wapen dat valt in categorie 1 van artikel 2, eerste lid, van de Wmm. Daarvoor geldt een restrictief beleid, om ongewenst gebruik en de risico’s voor de samenleving te minimaliseren. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

21. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk is. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Dat betekent dat eiser de gevraagde ontheffing niet krijgt.
22. De rechtbank bepaalt wel dat de minister het griffierecht van eiser moet vergoeden, omdat eiser wel terecht beroep heeft ingesteld tegen bestreden besluit 1.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
- bepaalt dat de minister eisers griffierecht vergoedt van € 194,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
De rechter is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer UTR 25/714 T.
3.Te raadplegen via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/12/20/tk-bijlage-eindrapport-commissie-wet-wapens-en-munitie-ringen-rond-de-roos.
7.Zie de uitspraken van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3272, en 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2815.