ECLI:NL:RBMNE:2026:781

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/1485-T
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6.1 WhtArt. 8:51b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij afwijzing aanvraag overname private schulden

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, diende een aanvraag in voor overname van haar private schulden bij Sociale Banken Nederland (SBN). Deze aanvraag werd afgewezen wegens te late indiening, omdat de uiterlijke aanmeldtermijn was vastgesteld op 2 januari 2024, gebaseerd op een eerste compensatiebeschikking van 8 mei 2021.

Eiseres betwistte echter dat zij deze beschikking ooit heeft ontvangen, waardoor volgens haar de aanmeldtermijn niet is gaan lopen. De rechtbank stelde vast dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beschikking op juiste wijze bekend is gemaakt, omdat geen verzendadministratie is overgelegd en het onduidelijk is of eiseres de brieven heeft ontvangen.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens motiveringsgebrek en gaf de minister de gelegenheid om binnen vier weken het gebrek te herstellen door aan te tonen dat de beschikking bekend is gemaakt of dat eiseres eerder kennis kon nemen van het besluit. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de eerste compensatiebeschikking correct is bekendgemaakt en geeft de minister de gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1485-T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. K. Bingöl en mr. N. Tursucu).

Waar gaat deze zaak over?

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor de overname van haar schulden. Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister van 16 januari 2025 op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om het gebrek te herstellen. In de rest van de uitspraak zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Aanvraag
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hiervoor heeft zij compensatie gekregen. De uitbetaling van deze compensatie heeft plaatsgevonden op 4 mei 2021. In dit kader heeft eiseres een schuldenlijst toegezonden aan de SBN met het verzoek om overname van haar schulden. De SBN heeft deze aanvraag afgewezen omdat zij te laat was met het indienen van het verzoek.
Bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft de minister nader toegelicht dat voor een eerste beschikking voor compensatie die voor 1 juli 2023 is afgegeven een uiterlijke aanvraagtermijn voor private schulden bij SBN gold van 2 januari 2024. Aan eiseres is een eerste compensatiebeschikking van Uitvoeringsoperatie Herstel Toeslagen (UHT) afgegeven op 8 mei 2021. Dit betekent dat de uiterlijke termijn voor het indienen van private schulden 2 januari 2024 was. Eiseres heeft op 26 juni 2024 het verzoek ingediend, wat dus te laat was. Eisers heeft volgens de minister onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Gronden beroep
4. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de eerste compensatiebeschikking van UHT van 8 mei 2021 nooit heeft gehad. De termijn voor het indienen van een aanvraag voor overname private schulden is daardoor niet gaan lopen. Daarmee stelt eiseres dat de aanmeldtermijn niet is overschreden.
Rechtsvraag
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres haar aanvraag heeft ingediend op 26 juni 2024. De vraag is of de minister ervan uit mocht gaan dat de eerste compensatiebeschikking van UHT is afgegeven op 8 mei 2021, en dat de aanmeldtermijn voor eiseres voor het indienen van de aanvraag voor private schulden afliep op 1 januari 2024.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat uit artikel 6.1., eerste lid, van de Wet hersteloperatie Toeslagen (Wht) volgt dat aanvragen voor overname van private schulden uiterlijk voor 1 januari 2024 ingediend moesten worden. Daarvoor geldt de uitzondering in die gevallen waarbij de eerste compensatiebeschikking na 1 juli 2023 is afgegeven. [1] Dan is het moment bepalend waarop die beschikking onherroepelijk is geworden. Dat volgt ook uit wat er staat in de Memorie van Toelichting bij dit artikel. Daarin staat: “De toekenning van een dergelijke aanvraag is afhankelijk van de vaststelling door de Belastingdienst/ Toeslagen dat een aanvrager van een kinderopvangtoeslag in aanmerking komt voor een herstelmaatregel, omdat alleen die aanvrager van een kinderopvangtoeslag in aanmerking komt voor toekenning. Dat een gedupeerde aanvrager in aanmerking komt voor herstel kan vastgesteld worden aan de hand van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie of van een O/GS-tegemoetkoming.” [2] De bedoeling is dus dat wordt uitgegaan van de eerste beschikking voor compensatie omdat daarmee aangetoond kan worden dat iemand is aangemerkt als gedupeerde. Daarom wordt voor het begin van de aanmeldtermijn gekeken naar de onherroepelijk geworden eerste beschikking.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de eerste compensatiebeschikking van 8 mei 2021 op de juiste wijze bekend is gemaakt. Eiseres heeft ontkend dat zij het besluit heeft ontvangen en betwist dat de minister het besluit bekend heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De minister heeft enkel gesteld dat de beschikking is afgegeven en dat door de zaaksbehandelaar telefonisch is doorgegeven dat eiseres € 30.000,- zou ontvangen. Ook heeft de minister op 9 februari 2022 en 13 december 2023 brieven gestuurd waarin is aangegeven wat de termijn is voor het aanmelden van private schulden. Van deze brieven is het ook onduidelijk of eiseres die heeft ontvangen. Met vorenstaande motivering heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat het besluit van 8 mei 2021 op de juiste wijze bekend is gemaakt. De minister heeft geen verzendadministratie overgelegd waaruit dat blijkt. Ook is niet gebleken dat bekendmaking van het besluit op een andere manier heeft plaatsgevonden. Hierdoor is het ook onduidelijk of het besluit van 8 mei 2021 onherroepelijk is geworden. Het beroep is daarom gegrond.
Conclusie
8. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om tussenuitspraak te doen en om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. De minister kan het gebrek herstellen door aan de hand van de verzendadministratie van het besluit van 8 april 2021 aan te tonen dat het besluit bekend is gemaakt, of door te onderbouwen dat eiseres op een eerder moment dan 1 juli 2023 kennis heeft kunnen nemen van het besluit van 8 april 2021.
9. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister.
10. In het geval de minister van plan is om het verzoek van eiseres inhoudelijk in behandeling te nemen, moet de minister dat binnen de termijn van twee weken aan de rechtbank meedelen. De rechtbank zal in dat geval, op verzoek van de minister, de hersteltermijn verlengen.
11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; en
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6.1., vierde lid, van de Wht.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 137-138.