ECLI:NL:RBMNE:2026:782

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/2769
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2011 wegens ontbreken vooringenomenheid en schade

Eiseres verzocht in 2021 om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over 2011 en compensatie wegens vermeende institutionele vooringenomenheid. Dienst Toeslagen wees dit verzoek in 2023 af en handhaafde dit besluit in 2025. Eiseres stelde dat zij geen reactie kreeg op haar aanvraag in 2011, dat zij later telefonisch werd geïnformeerd dat zij geen recht had op toeslag, waardoor zij geen opvang meer gebruikte en haar partner failliet ging.

De rechtbank stelde vast dat er geen bewijs is voor een aanvraag vóór 21 januari 2012, waarop de toeslag werd toegekend voor elf maanden in 2011. Er zijn geen terugvorderingen gedaan en geen aanwijzingen voor vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen. Ook ontbrak onderbouwing van de gestelde schade en het vermeende contact met een medewerker in 2012.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht is compensatie alleen mogelijk bij schade door institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden van overwegende aard. De rechtbank concludeerde dat eiseres geen schade heeft geleden door het handelen van Dienst Toeslagen en dat het beroep ongegrond is.

De rechtbank wees het beroep af, waardoor eiseres geen compensatie ontvangt en ook geen griffierecht of proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 3 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toekent voor kinderopvangtoeslag 2011.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Waar gaat deze zaak over?

Eiseres heeft op 22 juni 2021 telefonisch een verzoek ingediend voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011. Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 13 januari 2023 het verzoek om compensatie afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 is Dienst Toeslagen bij zijn standpunt gebleven.
Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft op 13 februari 2026 aanvullende gronden ingediend. Dienst Toeslagen heeft daarop gereageerd bij brief van 20 februari 2026. Daarbij heeft Dienst Toeslagen een overzicht van gespreknotities uit het TVS-systeem overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat Dienst Toeslagen terecht geen compensatie voor de kinderopvangtoeslag voor 2011 heeft vastgesteld. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bestreden besluitvorming
2. Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie afgewezen. Eiseres heeft voor het jaar 2011 kinderopvangtoeslag aangevraagd en ook gekregen. De kinderopvangtoeslag is daarna niet verlaagd. Ook zijn er geen aanknopingspunten gevonden dat eisers als fraudeur zou zijn beschouwd. Daarom is er geen recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen.
Gronden beroep
3. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek om compensatie. Eiseres heeft in 2011 een verzoek om kinderopvangtoeslag ingediend, maar daar kreeg zij geen reactie over. Op 21 januari 2012 heeft zij een digitale aanvraag ingediend, waarop zij KOT heeft gekregen. Eiseres is gebeld door een medewerker die heeft gezegd dat zij geen recht heeft op toeslag. Daarna heeft zij geen opvang meer gebruikt. Doordat zij geen gebruik meer heeft gemaakt van de opvang moesten de kinderen mee naar het werk van de partner van eiseres. Dit werkte niet waardoor de onderneming van de partner van eiseres failliet ging. Gelet op deze omstandigheden is sprake van schade in de zin van artikel 2.1., eerste lid, van de Wht.
Verweerschrift
4. Dienst Toelagen heeft toegelicht in het verweerschrift dat er geen aanwijzingen zijn dat vooringenomen is gehandeld. In het systeem van de Dienst Toeslagen is geen aanvraag gevonden die voor 21 januari 2012 is ingediend. Naar aanleiding van die aanvraag is de KOT toegekend voor elf maanden over 2011. Daarover is niks teruggevorderd. Verder heeft Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schade. Ook merkt Dienst Toeslagen op dat niet is onderbouwd dat sprake zou zijn van schade.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt het volgende voorop. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de KOT sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres heeft geleden als gevolg van het handelen van de Dienst Toeslagen.
6. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van het handelen van de Dienst Toeslagen. In het dossier heeft de rechtbank geen aanwijzing gevonden voor vooringenomen handelen. Eisers heeft op 21 januari 2012 een digitale aanvraag ingediend, waarna Dienst Toeslagen op 2 mei 2012 KOT heeft toegekend voor een totaalbedrag van € 8.560,- voor 1 februari 2011 t/m 31 december 2011. Er hebben geen terugvorderingen plaatsgevonden van dat bedrag. Verder zijn er geen aanwijzingen gevonden dat eiseres in 2012, zoals zij stelt, benaderd is door een medewerker van de Dienst Toeslagen. Uit het overzicht van gespreksnotities van het TVS-systeem van Dienst Toeslagen dat in beroep is overgelegd blijkt ook niet dat er eerder contact is geweest dan in 2021. Eisers heeft daar ook geen stukken van kunnen overleggen. Dienst Toeslagen heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen begin is gemaakt van het aannemelijk maken van dat gestelde contact. In de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd leidt de rechtbank ook niet af dat sprake is van schade die is ontstaan door het handelen van Dienst Toeslagen. Overigens heeft eiseres ook haar gestelde schade niet concreet onderbouwd.
Conclusie
7. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Dienst Toeslagen niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen compensatie krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.