ECLI:NL:RBMNE:2026:782
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2011 wegens ontbreken vooringenomenheid en schade
Eiseres verzocht in 2021 om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over 2011 en compensatie wegens vermeende institutionele vooringenomenheid. Dienst Toeslagen wees dit verzoek in 2023 af en handhaafde dit besluit in 2025. Eiseres stelde dat zij geen reactie kreeg op haar aanvraag in 2011, dat zij later telefonisch werd geïnformeerd dat zij geen recht had op toeslag, waardoor zij geen opvang meer gebruikte en haar partner failliet ging.
De rechtbank stelde vast dat er geen bewijs is voor een aanvraag vóór 21 januari 2012, waarop de toeslag werd toegekend voor elf maanden in 2011. Er zijn geen terugvorderingen gedaan en geen aanwijzingen voor vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen. Ook ontbrak onderbouwing van de gestelde schade en het vermeende contact met een medewerker in 2012.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht is compensatie alleen mogelijk bij schade door institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden van overwegende aard. De rechtbank concludeerde dat eiseres geen schade heeft geleden door het handelen van Dienst Toeslagen en dat het beroep ongegrond is.
De rechtbank wees het beroep af, waardoor eiseres geen compensatie ontvangt en ook geen griffierecht of proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 3 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toekent voor kinderopvangtoeslag 2011.