Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- de verdachte;
- de advocaat van de verdachte: mr. M.G. Vos (hierna: de advocaat);
- de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
- de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. F. Baardman.
2.Tenlastelegging
3.Bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.Straf
- het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026;
- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 27 februari 2025, opgesteld door reclasseringswerker L.F. Visser;
- een aanvullende e-mail van Reclassering Nederland van 2 februari 2026, opgesteld door reclasseringswerker Y. Zanaki.
- Meldplicht bij de volwassenreclassering;
- Ambulante behandeling;
- Contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer;
- Locatieverbod voor [plaats 2] en [plaats 3] met een straal van 5 kilometer hier omheen (met elektronische monitoring);
- Locatiegebod (met elektronische monitoring);
- Dagbesteding;
- Meewerken aan schuldhulpverlening.
6.In beslag genomen voorwerpen
- 1 telefoontoestel (G3422338);
- 1 muts (G3422337);
- 1 handschoen (G3422361).
7.Vordering benadeelde partij
.De rechtbank veronderstelt dat het bewezen verklaarde strafbare feit hevige gevoelens van onveiligheid oproept daarmee rechtstreeks immateriële schade wordt toegebracht aan de benadeelde partij. De aard en de ernst van het feit brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon aannemelijk is. Dat er, in dit geval, in de maanden voordat de verdachte dit strafbare feit pleegde, meerdere (pogingen tot) ontploffing hebben plaatsgevonden aan het adres van de benadeelde partij doet er niet aan af dat ook dit strafbare feit bijdraagt aan het gevoel van onveiligheid bij de benadeelde partij.
€ 1.000,- tot € 8.000,- als uitgangspunt. In dit geval is geen sprake van een bedreigende situatie door een opzettelijke ontploffing, maar ‘slechts’ van een bedreigende situatie die de voorbereiding daarvan oplevert. Anderzijds betreft het wel een incident dat onderdeel uitmaakt van een reeks incidenten en vindt het bij de woning van het slachtoffer plaats. Gelet op deze omstandigheden en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
8.Toegepaste wetsartikelen
9.De beslissing
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- veroordeelt de verdachte tot
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
een gedeelte van 114 (honderdveertien) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
proeftijd van twee (2) jarenvast;
algemene voorwaardendat de verdachte:
bijzondere voorwaardendat de verdachte:
Meldplicht Reclassering
Ambulante behandeling
Contactverbod
Locatieverbod
Dagbesteding
Aflossing schulden
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- wijst de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 1.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;