5.3Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft, samen met anderen, voorbereidingen getroffen voor het laten ontploffen van een explosief bij een woning. De verdachten lieten zich, midden in de nacht, naar een woonwijk brengen met een tas met daarin een geprepareerd explosief. In het explosief zat een forse hoeveelheid flitspoeder, waarmee een enorme ontploffing had kunnen worden veroorzaakt. Niet alleen spullen zouden zijn vernield, maar ook personen in de directe nabijheid van het explosief zouden ernstig of zelfs dodelijk zijn verwond. De rechtbank gaat ervan uit dat de bedoeling was het explosief te plaatsen bij een woning waar al eerder explosieven waren geplaatst of geprobeerd was dit te doen. Adequaat ingrijpen van de politie heeft dit kunnen voorkomen.
Het handelen van de verdachte en zijn mededaders is bedreigend en beangstigend voor de bewoners van de betreffende woning en de omwonenden. Ook leidt het tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
De rechtbank vindt het zeer ernstig en zorgelijk dat de verdachte bereid is geweest om uit financieel motief zo’n ernstig strafbaar feit te plegen. De verdachte verklaarde op de zitting dat hij ten tijde van het bewezen verklaarde geldproblemen had en niet nadacht over de mogelijke gevolgen van zijn handelen. Dit terwijl hij, door het meenemen van een grote hoeveelheid van een explosieve stof in een woonwijk, onaanvaardbare risico’s nam.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van:
- het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026;
- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 27 februari 2025, opgesteld door reclasseringswerker L.F. Visser;
- een aanvullende e-mail van Reclassering Nederland van 2 februari 2026, opgesteld door reclasseringswerker Y. Zanaki.
Het strafblad
Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
Het reclasseringsadvies
Uit het reclasseringsrapport van 27 februari 2025 blijkt dat er bij de verdachte kwetsbaarheden werden gezien in de vorm van een vermoedelijke cognitieve beperking, beïnvloedbaarheid, beperkte weerbaarheid, een matig inzicht in de consequenties van zijn handelen en beperkte oplossingsvaardigheden. Deze kwetsbaarheden waren van invloed op de gedragskeuzes van de verdachte bij het bewezen verklaarde. De reclassering schatte het recidiverisico toen in als gemiddeld. Er werden er diverse risicofactoren gezien die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit vergroten. De verdachte had geen dagbesteding en inkomen, maar wel schulden. Het deels negatieve sociale netwerk en mogelijke criminele netwerk dat achter het delict zit, werden ook gezien als risicofactoren. Daarnaast waren er vermoedens van een licht verstandelijke beperking en zodoende beperkte(re) cognities en vaardigen. Volgens de reclassering was behandeling gericht op het veranderen van deze factoren nodig.
De reclassering adviseerde het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte functioneert vermoedelijk op (licht) verstandelijk beperkt niveau, hij lijkt de risico’s van zijn handelen slecht in te kunnen inschatten, vertoont kinderlijker gedrag dan men gezien zijn kalenderleeftijd zou verwachten en laat zich gemakkelijk beïnvloeden.
Met het oog op het terugdringen van het recidiverisico, adviseerde de reclassering een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij de volwassenreclassering;
- Ambulante behandeling;
- Contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer;
- Locatieverbod voor [plaats 2] en [plaats 3] met een straal van 5 kilometer hier omheen (met elektronische monitoring);
- Locatiegebod (met elektronische monitoring);
- Dagbesteding;
- Meewerken aan schuldhulpverlening.
Uit de aanvullende informatie van de reclassering 2 februari 2026 blijkt dat het intelligentieniveau van de verdachte is vastgesteld op beneden gemiddeld. De verdachte is hierdoor gebaat is bij intensievere ambulante begeleiding. De reclassering schat het recidiverisico nu in als laag, zolang de verdachte in beeld blijft bij de reclassering, begeleid blijft worden door Amsta en beschikt over een zinvolle dagbesteding. Gelet op de duur van het huidige schorsingstoezicht, de positieve ontwikkeling van de verdachte en het ontbreken van verhoogde risico’s bij het laten vervallen van het locatiegebod, adviseert de reclassering om deze bijzondere voorwaarde en de elektronische monitoring daarop te laten vervallen. Dit geldt ook voor de elektronische monitoring op het locatieverbod.
De verdachte op de zitting
De rechtbank zag de door de reclassering benoemde kwetsbaarheden terug in hoe de verdachte zich presenteerde tijdens de zitting. Hoewel het voor de verdachte niet makkelijk was over de verdenking te praten, gaf hij wel toe dat hij fouten had gemaakt en zijn financiële problemen anders had moeten aanpakken. Hij verklaarde spijt te hebben van zijn daden en kwam daarin oprecht over. Hij is erg geschrokken van de gevolgen hiervan en beseft nu hoe fout het had kunnen aflopen. Verder is de verdachte, ondanks zijn fysieke problemen, aan het werk gegaan en is gemotiveerd om daarmee door te gaan.
Strafkader
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit meerderjarig was, maar de leeftijd van 23 jaar nog niet had bereikt; hij was 21 jaar. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht biedt de rechtbank de mogelijkheid om voor jongvolwassenen een jeugdsanctie toe te passen in het geval de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe aanleiding geven. Gelet op de argumenten die daarvoor volgen uit het reclasseringsadvies en die de rechtbank bevestigd ziet in het dossier en wat op de zitting is besproken , zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.
Gelet op de hiervoor beschreven ernst van het feit, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een jeugddetentie. Het met een geprepareerd explosief met zoveel vernietigingskracht in een woonwijk aanwezig zijn, op een tijdstip waarop de meeste mensen in hun woningen in bed liggen, is immers enorm gevaarlijk en angstaanjagend. Daarnaast moet het signaal worden afgegeven aan de (overwegend jonge) personen, die overwegen voor een relatief klein geld bedrag zulke strafbare feiten te plegen, dat ook het plegen van voorbereidingshandelingen zwaar wordt bestraft.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Kijkend naar de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van meerdere maanden passend. De rechtbank ziet echter aanleiding hiervan af te wijken, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het oog op het voorkomen van recidive.
Naast vergelding, is een ander belangrijk doel van het opleggen van straf namelijk ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Dat de verdachte zo gemakkelijk is meegegaan in een voorstel gedaan door iemand die hij “kende van de straat”, omdat hij geld nodig had vindt de rechtbank zorgwekkend. Om te voorkomen dat hij hiertoe opnieuw wordt verleid, legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op. , Enerzijds vormt dit de stok achter de deur voor de verdachteom op het, nu ingeslagen, rechte pad te blijven. En anderzijds biedt het ruimte de door de reclassering geadviseerde voorwaarden op te leggen om de verdachte zo weerbaar te maken tegen verleidingen en druk om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Bij het bepalen van de duur van (het onvoorwaardelijke deel van) de jeugddetentie houdt de rechtbank, tot slot, rekening met het feit dat de verdachte ongeveer twee maanden in voorarrest heeft verbleven en dat hij sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis gedurende dertien maanden onder toezicht van de reclassering, met een enkelband, heeft gewerkt aan zichzelf.
Conclusie
Alles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het bewezen verklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 114 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de algemene en bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het dictum. Dit betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
De rechtbank legt een lagere straf op dan geëist door de officier van justitie. Dat komt, onder meer, door toepassing van het jeugdstrafrecht en het aansluiten bij de daarbij behorende straffen.
Dadelijk uitvoerbaar
De rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de op te leggen voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Gezien het feit dat er sprake is van een lopend begeleidingstraject bij de volwassenreclassering (Reclassering Nederland) geeft de rechtbank aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
De voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.