ECLI:NL:RBMNE:2026:793

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/464
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd na een periode van ziekte en wachttijd, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat hij op de beoordelingsdatum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bleef de mate van arbeidsongeschiktheid onder de grens van 35%, waardoor het bezwaar werd afgewezen.

Eiser voerde aan dat zijn beperkingen, waaronder concentratieproblemen, pijnklachten en gehoorproblemen, onvoldoende waren meegenomen en dat de geduide functies niet passend waren. De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig, begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden waren opgesteld en dat eiser onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om het oordeel te weerleggen.

Ook de arbeidskundige beoordeling werd als passend en goed gemotiveerd beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4264

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

(gemachtigde: R. van den Brink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om aan hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) toe te kennen. Het Uwv heeft deze WIA-uitkering geweigerd, omdat eiser op de beoordelingsdatum minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht aan eiser geen WIA-uitkering heeft toegekend. De rechtbank kan de medische- en arbeidskundigebeoordeling volgen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. Eiser heeft zich op 24 maart 2022 ziek gemeld, terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken heeft hij op 8 december 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 5 maart 2024 afgewezen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was (namelijk 16,04 %). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding van de bezwaren heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw onderzoek gedaan en in meer rubrieken in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) beperkingen aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de inflatiecorrectie van het maatmanloon gecorrigeerd en heeft vanwege de aanpassing in de FML het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd. De eerder geduide voorbeeldfuncties waren niet langer geschikt, maar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kon wel drie andere voorbeeldfuncties en één reserve functie duiden. Dat heeft geleid tot een aanpassing van de mate van arbeidsongeschiktheid naar 25,67 %. Aangezien eiser nog steeds minder dan 35 % arbeidsongeschikt was, is het Uwv met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eiser bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift en rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 augustus 2025.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag van het besluit
3. Het Uwv legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser op 21 maart 2024 minder dan 35 % arbeidsongeschikt is, namelijk 25,67 %. Volgens het Uwv is eiser ongeschikt voor zijn eigen werk, maar wel geschikt voor ander werk.
Beoordelingskader
4. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten:
- zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
- bevatten geen tegenstrijdigheden;
- zijn voldoende begrijpelijk.
4.1
De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
4.2
De rechtbank benadrukt verder dat bij deze beoordeling van belang is dat het gaat om de medische situatie van eiser op de zogenaamde datum in geding, de beoordelingsdatum. Dat is in dit geval 21 maart 2024.
Beoordeling van de beroepsgronden van eiser
De medische beoordeling
5. Eiser voert aan dat zijn beperkingen zijn onderschat. Er hadden meer beperkingen aangenomen moeten worden, omdat hij concentratieproblemen heeft als gevolg van zijn depressieve klachten. Alledaagse handelingen kosten meer tijd vanwege medicatie en pijn. Eisers incontinentieproblematiek levert hem schaamte op en dit kost hem energie. Vanwege zijn medicatiegebruik had een beperking aangenomen moeten worden voor beroepsmatig vervoer. Bovendien zijn ten onrechte geen beperkingen aangenomen voor horen, duwen, trekken, tillen en de beweeglijkheid van het hoofd. Tot slot begrijpt eiser niet dat hij, gelet op zijn klachten en beperkingen, niet voldoet aan de voorwaarde voor een urenbeperking.
5.1
Het Uwv voert aan dat eiser geen nieuwe medische feiten of omstandigheden heeft ingebracht op basis waarvan het eerder ingenomen standpunt dient te worden herzien.
5.2
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 juni 2025 beschrijft dat bij eiser sprake is van psychische klachten, pijnklachten in de nek en rug, mictiestoornis op basis van prostaathypertrofie en licht gehoorverlies met tinnitus. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, waaronder een beperking voor beroepsmatig vervoer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert dat vanwege verminderde mentale flexibiliteit en adaptatievermogen door depressie en paniekstoornis aanvullende beperkingen worden aangenomen ten aanzien van sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud, veelvuldige storingen en onderbrekingen en hoog handelingstempo bij complexe taken. Ook wordt een beperking aangenomen ten aanzien van horen. In de FML zijn al beperkingen aangenomen bij diverse items in de rubrieken: fysieke omgevingseisen, dynamische handelen en statische houdingen, waaronder beperkingen voor duwen, trekken en tillen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert onder verwijzing naar de ‘Standaard Duurbelasting in Arbeid’ waarom een urenbeperking, naast de aangenomen beperking om 's nachts te werken, niet aan de orde is. Er is namelijk in geruime mate rekening gehouden met vermoeidheid, pijnklachten en mictieproblemen.
5.3
De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 juni 2025 begrijpelijk en concreet motiveert hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. In de aanvullende rapportage van 1 augustus 2025 gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in op de argumenten van eiser. Daarin blijft deze verzekeringsarts bij zijn eerdere bevindingen en conclusies. De rechtbank kan dit medisch oordeel volgen. Verder blijkt ook niet dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig was. Eiser heeft geen nadere medische stukken ingebracht om hiermee het gemotiveerde standpunt van de verzekeringsartsen te weerleggen. Eiser heeft dan ook onvoldoende twijfel gezaaid dat het medisch oordeel onjuist is. Het enkele gegeven dat eiser het er niet mee eens is en daarom vindt dat er meer beperkingen aangenomen moeten worden, is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
6. Eiser voert aan dat de geduide functies niet passend zijn vanwege zijn beperkingen. In het bijzonder voert hij aan dat de geduide functies veiligheidsproblemen opleveren vanwege zijn gehoorklachten.
6.1
Het Uwv voert aan dat de arbeidsdeskundige in het rapport van 18 juni 2025 heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn.
6.2
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperking voor horen heeft aangenomen. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 juni 2025 volgt dat er geen knelpunten wat betreft horen in de geduide functies zijn. Dit betekent dat eiser in staat geacht kan worden om deze functies te verrichten, waarbij rekening is gehouden met zijn beperkingen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser deze beroepsgrond baseert op verdergaande medische beperkingen. De rechtbank heeft onder punt 5.3 geoordeeld dat zij het medisch oordeel van het Uwv kan volgen. Uitgaande van de juiste vaststelling van de beperkingen van eiser in de FML, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties. Met het rapport van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 18 juni 2025, gelezen in samenhang met het verzekeringsgeneeskundige rapport van 5 juni 2025 en de gegevens uit het CBBS, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van eiser, zoals omschreven in de FML van 5 juni 2025. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht per 21 maart 2024 aan eiser geen WIA-uitkering heeft toegekend. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.