Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:796

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/4676
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond werkgeversberoep tegen vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage WIA-uitkering

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van een werkgever tegen het door het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van een werkneemster per 16 juni 2023, vastgesteld op 69,81%.

De werkneemster viel in 2021 ziek uit en kreeg een WIA-uitkering toegekend. De werkgever, als eigenrisicodrager, betwistte de mate van arbeidsongeschiktheid en stelde dat de werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, wat recht zou geven op een IVA-uitkering. De rechtbank beoordeelde de medische rapporten en het dossier, waarbij een verschil van inzicht bestond over de duurbelastbaarheid en het gebruik van diazepam.

De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld bij de beoordeling van de duurbelastbaarheid en dat de motivering van het besluit over het diazepamgebruik onvoldoende was. Desondanks leidde dit motiveringsgebrek niet tot benadeling van de werkgever, omdat de aanvullende beperkingen het arbeidsongeschiktheidspercentage slechts marginaal zouden verhogen tot 70,11%, wat nog steeds niet tot volledige arbeidsongeschiktheid leidt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit en kende een proceskostenvergoeding toe aan de werkgever. De mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd vermeld.

Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage van 69,81% blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4676

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] N.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.J.Y. Hoeneveld-Mol)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. E.S. Träger)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering van de werkneemster van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van werkneemster en stelt dat werkneemster per 16 juni 2023 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven
.Het beroep is ongegrond. De rechtbank komt tot het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek, dat met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wordt gepasseerd aangezien aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wordt wel een proceskostenvergoeding toegekend en moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Werkneemster is op 18 juni 2021 ziek uitgevallen van haar werk als [functie] voor 27,82 uur per week. Zij heeft per 16 juni 2023 een WIA-uitkering toegekend gekregen omdat zij bij einde wachttijd 80-100% arbeidsongeschikt was.
2.1.
Eiseres is eigenrisicodrager voor de WIA. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en aangevoerd dat werkneemster niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is en dat zij dus in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering).
2.2.
Het bezwaar van eiseres is in het bestreden besluit van 30 juni 2025 weliswaar gegrond verklaard, maar bij heroverweging is het arbeidsongeschiktheidspercentage van werkneemster naar beneden bijgesteld naar 69,81%.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht per 16 juni 2023 een WIA-uitkering aan werkneemster heeft toegekend uitgaande van 69,81% arbeidsongeschiktheid.
Waar gaat deze zaak over?
4. Werkneemster is ziek uitgevallen vanwege psychische en lichamelijke klachten. In deze procedure gaat het om de beoordeling na einde wachttijd. De datum in geding is 16 juni 2023. De verzekeringsarts in bewaar en beroep van het Uwv en de door eiseres ingeschakelde medisch adviseur verschillen van inzicht over of verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen voor werkneemster, in het bijzonder vanwege het gebruik van diazepam en vanwege haar duurbelastbaarheid.
Toetsingskader
5. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten, en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet de eisende partij dan wel aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de medische rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
5.1.
De verzekeringsarts kan een urenbeperking aannemen als iemand niet voltijds kan werken. De Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid is een richtlijn die verzekeringsartsen gebruiken om de duurbelastbaarheid te beoordelen. De verzekeringsarts kan een urenbeperking aannemen op energetisch gronden, om preventieve redenen, of vanwege verminderde beschikbaarheid.
Moet een urenbeperking worden aangenomen wegens beperkte duurbelastbaarheid?
6. Eiseres voert aan dat het onderzoek naar de duurbelastbaarheid van werkneemster onvoldoende zorgvuldig is geweest. Zij vindt dat geen deugdelijke motivering is gegeven voor het vervallen van de urenbeperking, waarbij door de primaire verzekeringsarts werd uitgegaan van een maximale duurbelastbaarheid van 10 uur per week. Zij voert aan, onder verwijzing naar de rapportage van de ingeschakelde medisch adviseur, dat op basis van een indicatie stoornis in de energiehuishouding per datum in geding een urenbeperking kan worden aangenomen.
6.1.
Het Uwv vindt dat geen urenbeperking hoeft te worden aangenomen omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de aard van de problematiek van werkneemster per datum in geding te mild was om een urenbeperking aan te nemen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts ten aanzien van de duurbelastbaarheid zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit op dit punt deugdelijk is gemotiveerd. Eiseres heeft geen twijfel gezaaid over de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. Werkneemster is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op spreekuur gezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 maart 2025 helder uitgelegd dat en waarom er op basis van het medisch dossier en het spreekuur geen redenen bestaan om een urenbeperking aan te nemen conform de Standaard duurbelastbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 11 maart 2025 een aangepaste functionele mogelijkhedenlijst (fml) vastgesteld en concludeert dat met de daarin aangenomen beperkingen voor mentale en fysieke belasting voldoende rekening wordt gehouden met beperkte stressbestendigheid en lichamelijke belastbaarheid. Eiseres heeft in beroep een rapport van een medisch adviseur ingebracht en vindt dat wel een urenbeperking kan worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inhoudelijk op dit rapport gereageerd. In de aanvullende motivering van 15 september 2025 wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat de diagnose slaapstoornis is gesteld in oktober 2023 en de diagnose gegeneraliseerde angststoornis niet vóór juli 2024, en dat deze diagnoses zijn gebaseerd op een toename van klachten die na datum in geding zijn opgetreden. De verzekeringsarts heeft deugdelijk uitgelegd dat de op datum in geding bestaande problematiek (chronisch pijnsyndroom) geen aanleiding geeft voor een aanvullende energetische beperking. Hetgeen eiseres daar met het rapport van de medisch adviseur tegenover heeft gezet, is onvoldoende om twijfel te zaaien over de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moeten aanvullende beperkingen worden aangenomen wegens diazepamgebruik?
7. Eiseres voert aan dat in de fml aanvullende arbeidsbeperkingen moeten worden gesteld vanwege het gebruik van diazepam op datum in geding. Volgens eiseres zijn in de fml ten onrechte geen beperkingen aangenomen in verband met het diazepamgebruik op de items verhoogd persoonlijk risico (1.8.6) en beroepsmatig vervoer (2.11).
7.1.
Het Uwv vindt dat niet is gebleken dat op datum in geding sprake is van diazepamgebruik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat er geen aanwijzingen zijn dat eiseres ook op datum in geding diazepam gebruikte en dat er dus ook geen redenen zijn om meer beperkingen aan te nemen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Het medisch dossier van werkneemster laat golfbewegingen zien in het gebruik van diazepam en toont een beeld dat werkneemster op meerdere momenten diazepam gebruikte, zowel voor als na 16 juni 2023, de datum in geding. Dit blijkt uit het spreekuur bij de primaire verzekeringsarts op 14 mei 2024 en uit het dagverhaal van werkneemster. Ook in de stukken van de bedrijfsarts van 12 juli 2021, 25 augustus 2021, 20 oktober 2021 en 28 februari 2022 en in het formulier medische informatie van 22 maart 2023 wordt gebruik van diazepam genoemd. De conclusie van de verzekeringsarts dat uit niets zou blijken dat diazepam langer dan kortdurend is voorgeschreven, kan gezien deze stukken uit 2021, 2022, 2023 en 2024, dan ook geen stand houden. De rechtbank stelt vast dat het gebruik van diazepam niet naar voren komt in de stukken van de orthopeed van 25 mei 2022, van de revalidatiearts van 15 december 2022, van de arts/psycholoog van 3 april 2024, en van de verpleegkundig specialist van GGZ Friesland van 12 februari 2025. Echter, nu uit het dossier blijkt dat zowel voor als na datum in geding (16 juni 2023) diazepam werd gebruikt door werkneemster, had het op de weg van het Uwv gelegen om nader onderzoek te doen naar het gebruik van diazepam specifiek op datum in geding, bijvoorbeeld door aanvullende informatie op te vragen bij de behandelend sector over het medicatiegebruik op datum in geding. Dat heeft het Uwv nagelaten. De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van de verzekeringsarts dat op datum in geding geen sprake is van diazepamgebruik onvoldoende feitelijke grondslag vindt in het dossier. Het bestreden besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd, zodat het in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
7.3.
De vervolgvraag is wat dit betekent voor de beoordeling van het beroep. De rechtbank houdt het ervoor dat sprake is van diazepamgebruik op datum in geding en dat als gevolg daarvan beperkingen voor verhoogd persoonlijk risico (1.8.6) en beroepsmatig vervoer (2.11) hadden moeten worden aangenomen door het Uwv. Dit leidt vervolgens echter niet tot een wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse van werkneemster (65-80%). Bij aanname van aanvullende beperkingen op items 1.8.6 en 2.11 is de functie Productiemedewerker industrie (SBC 111180) niet langer passend. In plaats van deze functie zou dan de reservefunctie Administratief ondersteunend medewerker (SBC 315100) geselecteerd worden. Dan wordt de functie Kostprijscalculator (SBC 515040) de middelste functie, met een uurloon van € 14,13 in plaats van € 14,27. Als gevolg daarvan wijzigt het arbeidsongeschiktheidspercentage van werkneemster van 69,81% naar 70,11%. Dit betekent dat werkneemster ook bij aanname van aanvullende beperkingen wegens diazepamgebruik nog steeds niet volledig (80-100%) arbeidsongeschikt is.
7.4.
De rechtbank ziet aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren aangezien aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen, omdat de werkneemster op basis van een arbeidsongeschiktheids-percentage van 70,11% in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80% blijft. [1]
Duurzaamheid
8. De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van mogelijke duurzaamheid, nu deze beoordeling alleen aan de orde komt als sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid (80-100% arbeidsongeschikt). Daarvan is geen sprake.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding het Uwv op te dragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding aan eiseres een vergoeding toe te kennen voor de kosten die zij voor de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,--. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,--.
9.2.
Eiseres heeft geen opgave gedaan van de kosten van de medische deskundige die verslag heeft uitgebracht. Die kosten zullen derhalve niet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,--;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 385,-- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:599, r.o. 4.7.