ECLI:NL:RBMNE:2026:808

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
11873170 \ UC EXPL 25-7092
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbindings- en ontruimingsvordering na betaling huurachterstand

De zaak betreft een geschil tussen twee verhuurders en een huurder over een huurachterstand en de gevolgen daarvan. De huurder had sinds eind 2023 de huur niet betaald, waardoor een aanzienlijke achterstand was ontstaan. Tijdens een mondelinge behandeling op 10 december 2025 maakten partijen afspraken over het inlopen van de huurachterstand, welke de huurder is nagekomen.

Na betaling van de achterstand erkenden de verhuurders dat de woning niet meer ernstig vervuild was en dat er geen gevaarzetting meer bestond. Hierdoor was ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd. De kantonrechter oordeelde dat de vorderingen tot ontbinding en ontruiming daarom afgewezen moesten worden.

Hoewel de huurder niet het voorgestelde depot van € 2.000,- heeft betaald, werd dit niet als tekortkoming gezien. De huurder werd wel gewaarschuwd dat bij een nieuwe huurachterstand een volgende procedure tot ontbinding en ontruiming mogelijk wel toegewezen kan worden.

De proceskosten tot en met de mondelinge behandeling zijn voldaan door de huurder, en verder draagt iedere partij haar eigen kosten. Het vonnis werd op 18 februari 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming worden afgewezen omdat de huurachterstand is betaald en de woning niet meer ernstig vervuild is.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11873170 \ UC EXPL 25-7092
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

wonende te [plaats 1] ,
2.
[eiser sub 2],
wonende te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R. van Veen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 september 2025,
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 10 september 2025, aan te merken als de conclusie van antwoord,
- de brief waarmee is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 10 december 2025 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aanwezig. [gedaagde] was ook aanwezig met zijn gemachtigde, mr. R. van Veen, en zijn neef. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ook afspraken met elkaar gemaakt. Deze zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 december 2025.
1.3.
Op 14 januari 2026 hebben beide partijen schriftelijk laten weten dat [gedaagde] zich aan de afspraken uit het proces-verbaal heeft gehouden. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben bericht de ontbindings- en ontruimingsvordering wel te handhaven en een uitspraak van de kantonrechter te willen.
1.4.
Tot slot heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] huurt de woning aan de [adres] te [plaats 3] van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . [gedaagde] had de huur vanaf eind 2023 niet meer betaald, waardoor een grote huurachterstand was ontstaan. Partijen hebben over deze huurachterstand tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt. [gedaagde] is deze afspraken nagekomen. De huurachterstand is volledig ingelopen. De vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming worden door de kantonrechter afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de aktes van 14 januari 2026 blijkt dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde] zich aan de afspraken uit het proces-verbaal van 10 december 2025 heeft gehouden. [gedaagde] heeft de huurachterstand betaald. Ook is tijdens de mondelinge behandeling, die is aangevangen in het gebouw van de rechtbank en voortgezet in het gehuurde, gebleken dat de woning niet (meer) ernstig is vervuild en dat er ook geen sprake (meer) is van gevaarzetting, zoals [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de dagvaarding nog hadden gesteld. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben dit tijdens de mondelinge behandeling erkend. Nu er op dit moment ook geen huurachterstand meer is, hoeft de kantonrechter geen verder onderzoek meer te doen naar mogelijke vervuiling en gevaarzetting in het verleden. [gedaagde] kan (eventuele) tekortkomingen in het verleden niet meer ongedaan maken. Gelet op de aard van de tekortkoming is ontbinding van de al lang lopende huurovereenkomst op dit moment niet gerechtvaardigd. De vordering tot ontbinding en ontruiming wordt dus afgewezen.
3.2.
Dat [gedaagde] niet het in het proces-verbaal voorgestelde depot van € 2.000,00 heeft betaald, maakt dit niet anders. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter met partijen besproken dat het verstandig zou zijn wanneer [gedaagde] een bedrag als ‘depot’ zou overmaken aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , zodat er een buffer zou zijn wanneer het overmaken van de maandelijkse huur [gedaagde] vanwege zijn gezondheid of om andere redenen niet zou lukken. [gedaagde] en zijn gemachtigde hebben verklaard hierover na te zullen denken. Dat [gedaagde] uiteindelijk heeft besloten dit niet te doen, maakt niet dat hij de afspraken uit het proces-verbaal niet is nagekomen of dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.3.
[gedaagde] dient zich wel te realiseren dat hij niet nogmaals een huurachterstand kan laten ontstaan. Als hij dat toch laat gebeuren, dan kan in een volgende procedure een vordering tot ontbinding en ontruiming wel worden toegewezen.
3.4.
Met het bedrag dat [gedaagde] na de mondelinge behandeling heeft betaald heeft hij de tot en met de mondelinge behandeling gemaakte proceskosten (op basis van het forfaitaire bedrag) van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ook voldaan. De proceskosten dienen partijen voor het overige zelf te dragen.
4. De beslissing
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] af,
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in haar afwezigheid in door mr. I.L. Rijnbout in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 .
62938