Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:810

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
12046505 \ MV EXPL 26-2
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:663 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting arbeidsovereenkomst na overname onderneming en betaling achterstallig loon

Eiser was sinds 1 september 2025 in dienst bij de voormalige eigenaar van een horecazaak op basis van een arbeidsovereenkomst voor twee jaar. Op 1 oktober 2025 nam gedaagde de onderneming over, waarna eiser niet meer werd toegelaten tot het werk en geen loon ontving.

Eiser vorderde in kort geding dat gedaagde hem onverwijld tot het werk toeliet, het achterstallige loon betaalde en correcte loonstroken verstrekte. Gedaagde betwistte dat de arbeidsovereenkomst op hem was overgegaan, verwijzend naar een afspraak geen personeel over te nemen en een verklaring die niet kon worden overlegd.

De kantonrechter oordeelde dat op grond van dwingend recht (art. 7:663 BW Pro) de arbeidsovereenkomst automatisch is overgegaan op gedaagde. De door gedaagde aangevoerde afspraken konden hieraan niet afdoen. Ook werd vastgesteld dat eiser daadwerkelijk loon had ontvangen, wat het bestaan van de arbeidsovereenkomst bevestigt.

Gedaagde werd veroordeeld om eiser toe te laten tot het werk, het achterstallige loon inclusief vakantiebijslag, wettelijke verhoging en rente te betalen, en correcte loonstroken te verstrekken. Tevens werden dwangsommen opgelegd voor het niet naleven van deze verplichtingen. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot toelating van eiser tot het werk, betaling van achterstallig loon en verstrekking van loonstroken.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12046505 \ MV EXPL 26-2
Vonnis in kort geding van 23 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [plaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.F. Fattal (Admiraal Rechtsbijstand & Mediation),
tegen
[gedaagde] ,handelend onder de naam
[handelsnaam],
wonende en zaakdoende in [plaats] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R. Moszkowicz.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens pleitnota van de zijde van [gedaagde] .
1.2.
Op 9 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op de locatie van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad. [eiser] is niet verschenen. Voor hem is aanwezig zijn gemachtigde mr. Fattal. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Moszkowicz. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken.
1.3.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 23 februari 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] is vanaf 1 september 2025 werkzaam bij [handelsnaam] op basis van een arbeidsovereenkomst voor twee jaar. [eiser] is in dienst getreden in de functie van allround horecamedewerker voor 38 uur per week tegen een salaris van € 2.300,00. Vanaf
1 oktober 2025 heeft [gedaagde] [handelsnaam] van voormalig eigenaar [A] overgenomen. [gedaagde] heeft [eiser] na de overname niet toegelaten tot het werk en er is sinds de overname geen loon aan [eiser] betaald. Tussen partijen is in geschil de vraag of de arbeidsovereenkomst die [eiser] met de voormalige eigenaar van [handelsnaam] heeft gesloten met de overgang van de onderneming is overgegaan naar [gedaagde] en [gedaagde] in dat kader gehouden is om [eiser] toe te laten tot het werk en loon moet betalen.

3.De beoordeling

3.1.
[eiser] meent dat zijn arbeidsovereenkomst is overgegaan naar [gedaagde] . [eiser] vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om [eiser] onverwijld toe te laten tot het werk en om het achterstallige loon en het loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen, met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Ook vordert [eiser] dat aan hem correcte loonstroken van oktober 2025 tot en met december 2025 worden verstrekt. [gedaagde] betwist dat er tussen hem en [eiser] een arbeidsovereenkomst bestaat. De kantonrechter stelt [eiser] in het gelijk en legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Spoedeisend belang
3.2.
Een vordering in kort geding kan alleen worden getroffen als de partij die de voorziening vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. Omdat het gaat om een loonvordering heeft [eiser] een spoedeisend belang bij het in kort geding voorleggen van zijn vorderingen.
Arbeidsovereenkomst
3.3.
[eiser] stelt dat door de overname van de onderneming de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:663 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) met ingang van 1 oktober 2025 zijn overgegaan op [gedaagde] . [gedaagde] stelt daar tegenover dat de arbeidsovereenkomst niet op hem is overgegaan, omdat hij met [A] heeft afgesproken dat hij geen personeel zou overnemen. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing naar artikel 3 van Pro de koopovereenkomst, waarin staat dat alleen activa en immateriële activa worden overgenomen, en naar de omstandigheid dat [gedaagde] zijn eigen bedrijf heeft opgericht, te weten [gedaagde] handelend onder de naam [handelsnaam] [plaats] met een eigen KVK-nummer en dat de bedrijven verschillende kenmerken hebben. Daarnaast is er een verklaring ‘overname van onderneming zonder overname arbeidsovereenkomsten’ opgesteld, waarin [A] zou hebben verklaard dat medewerkers bij hem in dienst blijven en niet overgaan, maar [gedaagde] kan die verklaring niet overleggen, omdat
[A] dat papier zou hebben verscheurd. Wat er ook zij van de afspraak die partijen zouden hebben gemaakt, die afspraak kan in elk geval niet tot het oordeel leiden dat de arbeidsovereenkomst met [eiser] niet op [gedaagde] is overgegaan, omdat artikel 7:663 BW Pro prevaleert boven de afspraak van partijen. Dat artikel bepaalt dat door de overgang van onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een in zijn onderneming werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger, in dit geval [gedaagde] . De regel dat alle rechten en verplichtingen van de werknemer vanzelf mee over gaan, is van dwingend recht. Eigen afspraken over het al dan niet meenemen van personeel gelden dus niet. Dit betekent dat door het overnemen van de onderneming de rechten en plichten uit de arbeidsovereenkomst van rechtswege zijn overgegaan op [gedaagde] .
3.4.
[gedaagde] voert nog aan dat hij de arbeidsovereenkomst die [eiser] in het geding heeft gebracht niet eerder heeft gezien. [eiser] zou die arbeidsovereenkomst volgens [gedaagde] later hebben opgesteld om te kunnen gebruiken in deze procedure en in een procedure die [eiser] heeft lopen bij de IND voor een verblijfsvergunning. De gemachtigde van [eiser] heeft ter zitting daartegen ingebracht dat [eiser] al sinds 2023 een verblijfsvergunning heeft. Daarom valt niet in te zien waarom hij de arbeidsovereenkomst nodig zou hebben om een verblijfsvergunning veilig te stellen. Daarnaast heeft de kantonrechter uit de door [eiser] ingebrachte bankafschriften opgemaakt dat hij op 1 oktober 2025 salaris heeft ontvangen voor zijn werk bij [handelsnaam] in september 2025. Dit bevestigt dat [eiser] een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met [gedaagde] . Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat [eiser] de arbeidsovereenkomst valselijk heeft opgemaakt en daar op enige wijze misbruik van wil maken, zoals [gedaagde] heeft gesuggereerd. [gedaagde] heeft dit verder ook op geen enkele wijze aangetoond en dit blijkt ook nergens uit.
3.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechten en plichten uit de arbeidsovereenkomst zijn overgegaan op [gedaagde] . [gedaagde] moet [eiser] daarom toelaten tot het werk overeenkomstig de arbeidsovereenkomst, het achterstallige loon over de periode oktober 2025 tot en met december 2025 en het loon vanaf januari 2026 tot zolang de arbeidsovereenkomst duurt aan [eiser] betalen en correcte loonstroken verstrekken. De gevorderde vakantietoeslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente over het loon zijn niet afzonderlijk betwist en ook toewijsbaar.
Dwangsommen
3.6.
[eiser] vordert aan de veroordeling van [gedaagde] om hem toe te laten tot het werk en correcte loonstroken te verstrekken dwangsommen op te leggen. Omdat [gedaagde] zich op de zitting op het standpunt blijft stellen dat [eiser] geen arbeidsovereenkomst met [gedaagde] heeft en [eiser] daarom geen recht heeft op werk of loon, ziet de kantonrechter aanleiding om die dwangsommen op te leggen. Het gevorderde maximum van de dwangsommen zal worden gematigd. De kantonrechter legt [gedaagde] een dwangsom op van € 250,00 voor iedere dag dat hij [eiser] niet toelaat tot het werk, met een maximum van € 10.000,00, en een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagde] de loonstroken van de periode oktober 2025 tot en met december 2025 niet verstrekt, met een maximum van € 2.500,00.
Proceskosten
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.139,02
3.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om [eiser] onverwijld toe te laten tot het werk en hem overeenkomstig de arbeidsovereenkomst arbeid te verschaffen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] daar niet aan voldoet, met een maximum van € 10.000,00,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
- € 6.900,00 aan achterstallig loon over de periode oktober 2025 tot en met december 2025, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van het loon tot aan de dag van algehele voldoening,
- het loon vanaf januari 2026 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, te voldoen op de gebruikelijke betaaldatum van het loon en te vermeerderen met vakantiebijslag en de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van het loon tot de dag van algehele voldoening als niet tijdig wordt betaald,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te verstrekken correcte loonstroken over de periode oktober 2025 tot en met december 2025, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] daar niet aan voldoet, met een maximum van € 2.500,00;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.139,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
41264