Uitspraak
[handelsnaam],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, tevens pleitnota van de zijde van [gedaagde] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser was sinds 1 september 2025 in dienst bij de voormalige eigenaar van een horecazaak op basis van een arbeidsovereenkomst voor twee jaar. Op 1 oktober 2025 nam gedaagde de onderneming over, waarna eiser niet meer werd toegelaten tot het werk en geen loon ontving.
Eiser vorderde in kort geding dat gedaagde hem onverwijld tot het werk toeliet, het achterstallige loon betaalde en correcte loonstroken verstrekte. Gedaagde betwistte dat de arbeidsovereenkomst op hem was overgegaan, verwijzend naar een afspraak geen personeel over te nemen en een verklaring die niet kon worden overlegd.
De kantonrechter oordeelde dat op grond van dwingend recht (art. 7:663 BW Pro) de arbeidsovereenkomst automatisch is overgegaan op gedaagde. De door gedaagde aangevoerde afspraken konden hieraan niet afdoen. Ook werd vastgesteld dat eiser daadwerkelijk loon had ontvangen, wat het bestaan van de arbeidsovereenkomst bevestigt.
Gedaagde werd veroordeeld om eiser toe te laten tot het werk, het achterstallige loon inclusief vakantiebijslag, wettelijke verhoging en rente te betalen, en correcte loonstroken te verstrekken. Tevens werden dwangsommen opgelegd voor het niet naleven van deze verplichtingen. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot toelating van eiser tot het werk, betaling van achterstallig loon en verstrekking van loonstroken.