In deze zaak heeft de deurwaarder Machlon Gideon Orie, verbonden aan het kantoor Orie Gerechtsdeurwaarders en Adviseurs, een deurwaardersrenvooi ingediend om de omvang van een vordering vast te stellen die voortvloeit uit een eerder verkort proces-verbaal van 23 februari 2024. Dit proces-verbaal betreft afspraken tussen eiseres en gedaagde over de verdeling van de voormalige echtelijke woning na hun echtscheiding. Eiseres heeft de deurwaarder ingeschakeld om de afspraken uit het proces-verbaal ten uitvoer te leggen, maar de deurwaarder stuitte op een bezwaar van gedaagde, die stelde dat hij al een deel van de vordering had voldaan.
De rechtbank heeft op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in deze kort geding procedure. Eiseres en gedaagde zijn gescheiden en hebben in een convenant afspraken gemaakt over de financiële gevolgen van hun echtscheiding. De deurwaarder heeft aangegeven dat het onduidelijk is welk bedrag gedaagde nog aan eiseres moet betalen. De rechtbank heeft vastgesteld dat gedaagde op basis van het verkort proces-verbaal € 20.000,00 aan eiseres verschuldigd is, waarvan hij slechts € 6,66 heeft betaald. De deurwaarder is gemachtigd om tot executie van de betalingsvordering over te gaan.
De rechtbank heeft ook de proceskosten aan gedaagde opgelegd, omdat hij als de in het ongelijk gestelde partij werd beschouwd. De totale proceskosten zijn vastgesteld op € 1.681,00, inclusief griffierecht en salaris van de gemachtigde. De rechtbank heeft bepaald dat gedaagde deze kosten binnen veertien dagen na aanschrijving moet betalen, en dat hij ook de kosten van betekening moet vergoeden indien hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet.