De zaak betreft een ontbindingsverzoek van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] N.V. en [verweerster], die sinds 1986 bij de werkgever in dienst is. [Verzoekster] vordert ontbinding wegens disfunctioneren en/of een verstoorde arbeidsverhouding, al dan niet in combinatie.
De kantonrechter oordeelt dat disfunctioneren niet is komen vast te staan. De door [verzoekster] aangevoerde kernpunten, zoals gebrek aan zelfreflectie, onvoldoende overleg en onvoldoende kennis, zijn onvoldoende onderbouwd en blijken niet uit de functioneringsgesprekken van 2019 tot 2023. Het verbetertraject in 2023 leidde niet tot overtuigend bewijs van disfunctioneren.
Ook is geen sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De relatie tussen partijen was jarenlang goed en de frictie met de leidinggevende [B] is vooral het gevolg van het vermeende disfunctioneren, dat niet is bewezen. Daarnaast heeft [verzoekster] onvoldoende gedaan om [verweerster] te herplaatsen binnen het bedrijf, terwijl dit wettelijk vereist is.
Het verzoek tot ontbinding wordt daarom afgewezen. De proceskosten worden aan [verzoekster] opgelegd. De voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerster] worden niet behandeld omdat het ontbindingsverzoek is afgewezen.