ECLI:NL:RBMNE:2026:835

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/5531 T2
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging hersteltermijn voor gebreken in bestuursrechtelijk besluit gemeente Almere

In deze bestuursrechtelijke zaak tussen Stichting Aeres Groep en het college van burgemeester en wethouders van Almere heeft de rechtbank Midden-Nederland op 3 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank had eerder op 1 september 2025 een hersteltermijn van zes maanden gesteld voor het college om gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Het college verzocht op 26 februari 2026 om verlenging van deze termijn omdat de gemeenteraad nog geen formeel besluit had genomen over het herstelbesluit, dat gepland stond voor de raadsvergadering van 5 maart 2026. De rechtbank oordeelde dat dit een bijzonder geval was dat verlenging rechtvaardigde, omdat de oorspronkelijke termijn te kort bleek en een andere beslissing de finale geschilbeslechting zou kunnen belemmeren.

De rechtbank stelde het college in de gelegenheid om uiterlijk 13 maart 2026 de gebreken te herstellen en hield verdere beslissingen aan tot de einduitspraak. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open, maar dit kan gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de hersteltermijn tot uiterlijk 13 maart 2026 en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5531 T2

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

Stichting Aeres Groep, gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.S. Helder),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Haan).

Als derde-partij neemt aan het geding deel:

[derde belanghebbende] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: P. Kok).

Procesverloop

1.1.
In de tussenuitspraak van 1 september 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes maanden na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
1.2.
Met een brief van 26 februari 2026 heeft het college de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn te verlengen.

Overwegingen

1. Het college heeft zijn verzoek om verlenging van de termijn om de gebreken te herstellen gedaan binnen de oorspronkelijke termijn die de rechtbank hiervoor heeft gesteld in de tussenuitspraak.
2. Slechts in bijzondere gevallen willigt de rechtbank zo’n verzoek om verlenging van de in de tussenuitspraak gestelde termijn in. Het verzoek om verlenging moet daarom zijn gemotiveerd.
3. De reden waarom het college de rechtbank verzoekt om verlenging van de termijn is dat hoewel de gemeenteraad strikt genomen al in de gelegenheid is gesteld om eventuele bedenkingen tegen het herstelbesluit van het college naar voren te brengen, hij in de afgelopen raadsvergadering van 19 februari 2026 hierover nog geen formeel besluit heeft genomen. Het herstelbesluit is nu voor finale besluitvorming geagendeerd voor de raadsvergadering van 5 maart 2026.
4. De rechtbank acht dit een bijzonder geval dat verlenging van de termijn rechtvaardigt, omdat de oorspronkelijk bepaalde termijn te kort is gebleken en elke andere beslissing van de rechtbank - met name de einduitspraak waarbij het college de opdracht krijgt een nieuw besluit te nemen - naar alle waarschijnlijkheid tot een minder finale vorm van geschilbeslechting leidt.
5. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt het college in de gelegenheid om uiterlijk op 13 maart 2026 de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de eerste tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzitter, en mr. J.A. Spee en mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.