ECLI:NL:RBMNE:2026:842

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/6538
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.11 WhtArt. 2.12 WhtArt. 2.13 WhtArt. 2.21 WhtArt. 4, derde lid AWK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op kindregeling Wet hersteloperatie toeslagen wegens onvoldoende bewijs pleegkindrelatie

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor de kindregeling op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen had de aanvraag afgewezen omdat niet was vastgesteld dat eiser als pleegkind onderdeel was van het huishouden van de gedupeerde ouder [A].

De rechtbank toetst of eiser in de periode van 3 september 2011 tot en met 5 november 2022 als pleegkind kan worden aangemerkt, waarbij het begrip huishouden wordt uitgelegd conform de Algemene Kinderbijslagwet. De rechtbank constateert dat eiser in een deel van deze periode in Turkije woonde en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij in de overige periodes gezamenlijk woonde met of een gezinseenheid vormde met [A].

De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af omdat voldoende gelegenheid is geboden om informatie aan te leveren en Dienst Toeslagen zelf onderzoek heeft gedaan. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat [A] financieel of anderszins zorg heeft gedragen voor eiser in de relevante periode. De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij pleegkind was van [A].

De beslissing op bezwaar is voldoende gemotiveerd en het beroep wordt ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 3 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van pleegkindrelatie en onderdeel zijn van het huishouden van de gedupeerde ouder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6538

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K.Y. Ramdhan),
en

Dienst Toeslagen, kantoor [plaats]

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen terecht geen kindregeling aan eiser op grond van artikelen 2.11 en 2.12 van de Wet hersteloperatie toeslagen (de kindregeling) heeft toegekend.
1.1.
Dienst toeslagen heeft de aanvraag met het besluit van 24 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.2.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, namens de Dienst Toeslagen.
3. Sinds 5 november 2022 zijn deze herstelregelingen opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Op grond van deze regelingen kunnen gedupeerde ouders bij wie sprake was van een behandeling op basis van institutionele vooringenomenheid of bij wie de hardheid van het wettelijke systeem tot onbillijkheden van overwegende aard leidde, compensatie of tegemoetkoming geboden worden voor onder andere materiële en immateriële schade, en voor bijkomende kosten.
4. In de Wht is ook de kindregeling opgenomen. Die regeling staat in de artikelen 2.10 tot en met 2.13 en 2.21 van de Wht. Met deze regeling kunnen kinderen en pleegkinderen van gedupeerde ouders ook een tegemoetkoming krijgen.
5. Eiser vindt dat hij als pleegkind van gedupeerde ouder [A] moet worden aangemerkt en dat hij daarom aanspraak maakt op de kindregeling. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
6. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat niet uit de stukken blijkt dat er sprake is geweest van een pleegkindsituatie. Eiser is in bezwaar in de gelegenheid gesteld om extra informatie toe te sturen. Ook heeft de Dienst Toeslagen zelf onderzocht of andere aanwijzingen erop wijzen dat er sprake is van een mogelijke pleegkindsituatie.
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft beroep ingesteld. Eiser stelt dat de gedupeerde ouder [A] als zijn pleegouder moet worden aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
8. Aan een voormalig pleegkind van een gedupeerde pleegouder kent de Dienst Toeslagen ambtshalve een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 Wht toe als het pleegkind onderdeel is geweest van het huishouden van de pleegouder in de periode tussen de eerste beschikking waarvoor herstel wordt geboden tot en met 5 november 2022. Ook moet het pleegkind binnen de leeftijdsgrens vallen en op 1 januari 2005 jonger dan 21 jaar zijn geweest of voor 6 november 2022 zijn geboren. Dit staat in artikel 2.11, tweede lid, van de Wht.
9. Uit de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.11, tweede lid, van de Wht volgt dat wordt aangesloten bij het begrip pleegkind, bedoelt in artikel 4, derde lid of vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AWK). Uit dit artikel volgt dat het kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoegd als pleegkind wordt beschouwd. Bovendien wordt voor de beoordeling of het pleegkind onderdeel is geweest bij het huishouden van de gedupeerde ouder aangesloten bij de uitleg van het begrip huishouden in de AWK. Dit houdt in dat er sprake moet zijn van gezinseenheid, waarbij zowel het element van gezamenlijk wonen als aspecten van sociale, economische en educatieve binding in onderlinge samenhang een rol kunnen spelen. [1]
10. De rechtbank stelt vast dat de beschikking van 3 september 2011 als eerste beschikking waarvoor herstel wordt geboden, wordt aangemerkt. De rechtbank moet dus beoordelen of er sprake is van een pleegkindrelatie in de periode van 3 september 2011 tot en met 5 november 2022. De rechtbank stelt daarbij ook vast dat eiser in de periode van
1 oktober 2011 tot en met 29 augustus 2018 in Turkije woonde. De rechtbank kijkt dus bij de beoordeling of eiser aanspraak kan maken op de kindregeling alleen naar de periode tussen 3 september 2011 tot 1 oktober 2011 en 30 augustus 2018 tot en met 5 november 2022. Bij de beoordeling of eiser in deze periode als pleegkind van gedupeerde ouder
[A] kan worden aangemerkt, sluit de rechtbank zich aan bij het begrip huishouden in de AWK. De rechtbank kijkt dus of er sprake is van een gezinseenheid.
Beoordeling door de rechtbank
11. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser om aanhouding verzocht. De gemachtigde van eiser heeft een termijn gevraagd om extra informatie te kunnen verzamelen en in te dienen. De rechtbank ziet daar geen reden toe, omdat duidelijk uit de regelgeving blijkt wat het toetsingskader is en aan welke criteria moet worden voldaan. Verder is eiser tijdens de aanvraag, de bezwaarprocedure en beroep voldoende in de gelegenheid gesteld om informatie in het geding te brengen. Bovendien heeft de Dienst Toeslagen zelf onderzoek gedaan naar aanwijzingen of er sprake was van een pleegkindsituatie en heeft eiser erop gewezen dat er meer informatie nodig is. De rechtbank wijst dit verzoek af.
12. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat met de informatie in het dossier, voor zover deze aanwezig is, niet beoordeeld kan worden of eiser daadwerkelijk onderdeel is geweest van het huishouden van [A] . Uit de stukken blijkt namelijk niet of er een gezinseenheid is geweest. Hierbij heeft de rechtbank gekeken of er sprake is geweest van gezamenlijk wonen dan wel of aspecten van sociale, economische en educatieve binding in de desbetreffende periode een rol hebben gespeeld.
12.1.
Ten eerste blijkt niet uit de stukken dat [A] financieel heeft bijgedragen aan de kosten van eiser. Ook volgt niet uit het dossier dat [A] op een andere manier in de desbetreffende periode zorg heeft verleend. Er is weliswaar
e-mailcorrespondentie uit 2009 overgelegd, maar uit deze correspondentie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiser in de desbetreffende periode onderdeel is geweest van het huishouden van [A] . Het is namelijk niet duidelijk of de inhoud van de e-mailcorrespondentie ook van toepassing is op de periode na 3 september 2011. Bovendien wordt er weliswaar gesproken over een uithuisplaatsing van eiser en een pleegouderplan, maar hieruit volgt niet wat er precies is afgesproken en in hoeverre
[A] de zorg over eiser op zich heeft genomen. Verder zijn er ook geen aanknopingspunten gevonden waaruit blijkt dat er sprake is van gezamenlijk wonen. De Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift hierover toegelicht dat eiser in de periode van
3 september 2011 tot 1 oktober 2011 bij zijn oma verbleef. Vervolgens is hij naar Turkije verhuisd. Ook in de periode nadat hij is teruggekomen uit Turkije verbleef eiser niet op hetzelfde adres als [A] . Eiser heeft het verder nagelaten om extra informatie in het geding te brengen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de desbetreffende periode pleegkind is geweest van [A] .
13. Gelet op de door eiser overgelegde informatie, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat Dienst Toeslagen de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Nu de Dienst Toeslagen de overgelegde informatie voldoende heeft meegewogen in de beoordeling, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, pagina 90.