ECLI:NL:RBMNE:2026:85

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11982892
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 6 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot overlegging jaarrekeningen en gecombineerde opgaven in pachtzaak

In deze zaak staat centraal of de pachtovereenkomst tussen partijen kan worden ontbonden omdat de pachter het gepachte niet meer bedrijfsmatig voor landbouw gebruikt. De eiser vordert inzage in de gecombineerde opgaven en jaarrekeningen van de afgelopen drie jaren om dit te bewijzen. De gedaagde weigert deze stukken te overleggen, stellende dat hij het gepachte wel bedrijfsmatig gebruikt en dat de gevraagde gegevens vertrouwelijk zijn.

De rechtbank beoordeelt het incidentele verzoek tot inzage op grond van artikel 195 jo Pro. 194 Rv en stelt vast dat de gevraagde stukken voldoende bepaald zijn, dat de eiser een voldoende belang heeft en dat de gedaagde over de gegevens beschikt. De bezwaren van de gedaagde, waaronder vermoedens over een financieel motief van de eiser en de bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, wegen niet zwaarder dan het belang van de eiser bij inzage.

Ook de toepassing van de AVG staat de verstrekking niet in de weg, omdat wettelijke grondslagen voor rechtmatige verwerking aanwezig zijn. De rechtbank veroordeelt de gedaagde om binnen veertien dagen de gevraagde stukken te overleggen, met een dwangsom van maximaal € 25.000 bij niet-nakoming.

In de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bepaald waarbij partijen zich nader kunnen uitlaten over de stukken en hun standpunten. De procedure wordt aangehouden voor verdere beslissing.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de pachter tot overlegging van jaarrekeningen en gecombineerde opgaven binnen veertien dagen met dwangsom bij niet-nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Pachtkamer
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11982892 \ LC EXPL 25-2536
Vonnis in het incident en de hoofdzaak van 21 januari 2026
in de zaak van
[partij 1],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. J.M.M. Kroon,
tegen
[partij 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: mr. W.J. de Vries.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 november 2025 met een incidenteel verzoek ex artikel 195 Rv Pro, met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en het incident met producties 1 tot en met 9.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[partij 1] verpacht ongeveer 13 ha landbouwgrond aan [partij 2] . [partij 1] stelt dat [partij 2] het gepachte niet (meer) bedrijfsmatig voor de landbouw gebruikt. [partij 1] vordert daarom dat de pachtovereenkomst wordt ontbonden. Om dit te kunnen bewijzen, verzoekt [partij 1] in het incident dat [partij 2] de Gecombineerde Opgave en de jaarrekeningen van zijn agrarische onderneming van de afgelopen drie jaren overlegt. [partij 2] is het hier niet mee eens. Volgens hem gebruikt hij het gepachte wel bedrijfsmatig voor de landbouw. De gevraagde stukken wil hij niet overleggen. De pachtkamer zal [partij 2] in het incident veroordelen om de gevraagde stukken te overleggen. In de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bepaald. Voorafgaand daaraan krijgen partijen de gelegenheid zich uit te laten over de door [partij 2] te overleggen stukken.

3.De beoordeling

In het incident
Het toetsingskader van het inzageverzoek
3.1.
In artikel 195 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat een partij aan de rechter die de hoofdzaak behandelt, kan verzoeken om de wederpartij te bevelen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken. Voor toewijzing van zo’n verzoek moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv Pro worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.
[partij 1] heeft voldoende belang bij het inzageverzoek
3.2.
Partijen verschillen in de hoofdzaak van mening over de vraag of [partij 2] het gepachte (nog) bedrijfsmatig voor de uitoefening van de landbouw gebruikt. Volgens [partij 1] is dit niet het geval, omdat [partij 2] geen melkvee meer zou houden en het gepachte alleen nog gebruikt voor de winning van gras dat hij aan een derde verkoopt. De door [partij 1] gevraagde gegevens, te weten de Gecombineerde Opgave (inclusief perceelregistratie) en de jaarrekeningen over de jaren 2022, 2023 en 2024 kunnen relevant zijn voor de beoordeling van dit geschil. [partij 1] stelt terecht dat daaruit kan worden afgeleid welke en hoeveel dieren [partij 2] in een bepaald jaar hield, of [partij 2] het gepachte zelf nog in gebruik had en of de activiteiten van [partij 2] gerelateerd zijn aan de landbouw en of deze activiteiten bedrijfsmatig zijn. Daarmee is voldoende gebleken dat deze stukken mogelijk steun kunnen geven aan de stelling van [partij 1] dat [partij 2] is tekortgeschoten in de nakoming van de pachtovereenkomst. [partij 1] heeft daarom voldoende belang bij deze informatie.
3.3.
[partij 2] is niet bereid de opgevraagde gegevens aan [partij 1] te verstrekken. Hij vindt dat [partij 1] daar geen belang bij heeft, omdat hij al gegevens heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat hij het gepachte gebruikt voor bedrijfsmatige landbouw. Het gaat daarbij om een gedeelte van de conceptjaarrekening 2023 en de stallijsten van het rundvee en de schapen van 31 december 2024. Dit brengt echter niet mee dat [partij 1] geen belang heeft bij de Gecombineerde Opgaven en de jaarrekeningen uit 2022, 2023 en 2024. Zoals overwogen kunnen deze gegevens van belang zijn bij de in de hoofdzaak voorliggende vraag of [partij 2] het gepachte bedrijfsmatig voor de landbouw gebruikt. Het antwoord op deze vraag staat nog niet vast. Evenmin staat vast of deze vraag enkel met de al wel door [partij 2] verstrekte gegevens kan worden beantwoord. Dit moet in de hoofdzaak worden beoordeeld en daarop kan de pachtkamer in dit incident niet vooruitlopen.
[partij 1] is partij bij de rechtsbetrekking, de stukken zijn voldoende bepaald en [partij 2] beschikt over de stukken
3.4.
Aan de voorwaarde dat het incidentele verzoek betrekking moet hebben op stukken die zien op een rechtsbetrekking waarbij degene die inzage vraagt partij is, is voldaan. Tussen [partij 1] en [partij 2] bestaat immers een pachtovereenkomst.
3.5.
[partij 1] heeft ook voldoende concreet aangegeven van welke stukken hij inzage wil.
Het gaat om de Gecombineerde Opgave en jaarrekeningen uit 2022, 2023 en 2024. De gevraagde gegevens zijn daarmee voldoende bepaald.
3.6.
Tot slot heeft [partij 2] niet betwist dat hij over deze gegevens beschikt, met uitzondering van de jaarrekening 2024. [partij 2] stelt dat deze jaarrekening ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet was opgemaakt en vastgesteld. De pachtkamer gaat ervan uit dat dit inmiddels (21 januari 2026) wel het geval is. Zekerheidshalve zal de pachtkamer [partij 2] enkel veroordelen de jaarrekening dan wel de conceptjaarrekening 2024 te overleggen voor zover deze bestaat. Mocht dit niet zo zijn dan ligt het op de weg van [partij 2] om te verklaren waarom de (concept)jaarrekening van 2024 nog niet is opgemaakt.
Er is geen sprake van gewichtige redenen die zich tegen inzage verzetten
3.7.
In artikel 194 lid 2 sub b Rv Pro is bepaald dat degene die over de gegevens beschikt geen inzage hoeft te verstrekken als gewichtige redenen zich daartegen verzetten. [partij 2] heeft in dit kader twee stellingen ingenomen.
3.8.
Ten eerste stelt hij het vermoeden te hebben dat [partij 1] het gepachte wil verkopen. Na ontbinding van de pachtovereenkomst zijn de landbouwgronden volgens [partij 2] meer geld waard. De pachtkamer is van oordeel dat als uit de gevraagde gegevens volgt dat [partij 2] het gepachte niet (meer) bedrijfsmatig voor de landbouw gebruikt, [partij 1] het recht heeft om ontbinding van de pachtovereenkomst te vorderen. Verpachte grond is immers bedoeld voor de uitoefening van (bedrijfsmatige) landbouw, en niet voor ander gebruik. Dat bij een ontbinding van de pachtovereenkomst de marktwaarde van de gronden stijgt en er dus ook een financieel belang bij ontbinding zou kunnen bestaan, mag zo zijn, maar doet niet af aan het belang van [partij 1] bij inzage en zijn recht om ontbinding te vorderen en levert daarom geen gewichtige reden op om de gevraagde gegevens niet te verstrekken. [partij 2] heeft verder gesteld dat als de ontbinding wordt afgewezen, [partij 1] na het verstrekken van de gevraagde gegevens over allerlei informatie beschikt om met [partij 2] te onderhandelen over het ‘afkopen’ van de pachtovereenkomst tegen een zo laag mogelijke prijs. De pachtkamer is van oordeel dat dit enkel gaat om niet onderbouwde vermoedens over een financieel motief van [partij 1] . Bovendien is [partij 2] niet verplicht om tot deze ‘afkoop’ over te gaan. Verder geldt ook hier dat zelfs al zou [partij 1] dit motief hebben, dat nog niet afdoet aan zijn belang bij inzage in de gegevens om zijn ontbindingsvordering te kunnen onderbouwen. De pachtkamer gaat daarom aan dit verweer voorbij.
3.9.
Ten tweede heeft [partij 2] aangevoerd dat de jaarrekeningen financiële gegevens en vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten. Voor zover dit al gewichtige redenen oplevert die zich tegen inzage verzetten, geldt dat de inhoud van de jaarrekeningen van belang is voor de beantwoording van de in de hoofdzaak voorliggende vraag of [partij 2] het gepachte nog bedrijfsmatig voor de landbouw gebruikt. Het belang van [partij 1] bij inzage in deze gegevens om zijn vordering te kunnen onderbouwen, weegt naar het oordeel van de pachtkamer zwaarder dan het belang van [partij 2] om bepaalde informatie uit de jaarrekeningen niet te openbaren. [partij 2] heeft subsidiair verzocht om hem slechts te verplichten bepaalde informatie uit de jaarrekeningen te openbaren. Op voorhand kan de pachtkamer echter geen onderscheid maken tussen informatie uit de jaarrekeningen die voor de beoordeling van de vordering wel en niet relevant is. Dit moet in de hoofdzaak worden beoordeeld en daarop kan de pachtkamer in dit incident niet vooruitlopen. Er bestaat in ieder geval geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van een zogenaamde
fishing expedition, waarbij misbruik wordt gemaakt van de regeling van het inzagerecht door informatie op te vragen waarop geen recht bestaat.
De AVG verzet zich niet tegen toewijzing van het inzageverzoek
3.10.
[partij 2] heeft tot slot aangevoerd dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is en er voor [partij 1] geen grondslag bestaat om de financiële persoonsgegevens van [partij 2] rechtmatig te verwerken. De pachtkamer volgt hem hierin niet. Voor zover de jaarrekeningen al persoonsgegevens bevatten en voor zover het in het kader van een civiele procedure als bewijsmiddel overleggen van die jaarrekeningen al onder het materiële toepassingsgebied van de AVG valt, dan zijn er in deze zaak er wettelijke grondslagen voor rechtmatige verwerking als bedoeld in artikel 6 AVG Pro. Voor het verstrekken van de gegevens door [partij 2] geldt dat een toegewezen verzoek tot inzage (op grond van artikel 194 en Pro 195 Rv) leidt tot een wettelijke verplichting van degene die persoonsgegevens onder zich houdt om die te verstrekken. Op grond van artikel 6 lid 1 sub c AVG Pro is dit een grondslag voor rechtmatige verwerking. Wat betreft het verwerken van de gegevens door [partij 1] geldt dat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van zijn gerechtvaardigde belangen zoals die hiervoor bij de beoordeling van het inzageverzoek zijn uiteengezet, welke belangen naar het oordeel van de pachtkamer zwaarder wegen dan de belangen van [partij 2] bij de bescherming van zijn persoonsgegevens. Op grond van artikel 6 lid 1 sub f AVG Pro is dit een grondslag voor rechtmatige verwerking.
Conclusie, dwangsom en proceskosten
3.11.
De conclusie is dat de pachtkamer [partij 2] zal veroordelen om de gevraagde stukken te overleggen en wel binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis.
3.12.
[partij 2] maakt bezwaar tegen de gevorderde dwangsom. Hij stelt de gevraagde gegevens te zullen overleggen als hij daartoe wordt veroordeeld. De pachtkamer ziet wel aanleiding om een dwangsom op te leggen. Als [partij 2] doet wat hij schrijft, dan heeft hij van de dwangsom niets te vrezen. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen en gemaximeerd tot € 25.000,00.
3.13.
[partij 2] wordt in het incident in de kosten veroordeeld, omdat hij ongelijk heeft gekregen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde.
In de hoofdzaak
Partijen worden in de gelegenheid gesteld een akte te nemen
3.14.
In de hoofdzaak zal de pachtkamer [partij 1] in de gelegenheid stellen om zich aan de hand van de ontvangen Gecombineerde Opgaven en jaarrekeningen bij akte nader uit te laten over de vraag of het gepachte nog bedrijfsmatig voor de uitoefening van de landbouw wordt gebruikt.
3.15.
[partij 2] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om hier bij akte op te reageren.
De pachtkamer bepaalt een mondelinge behandeling
3.16.
Vervolgens zal een mondelinge behandeling worden bepaald om inlichtingen over de zaak te krijgen, partijen de gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.17.
De pachtkamer wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.
3.18.
Als een partij wenst dat de pachtkamer bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met schriftelijke stukken, dan moet zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de pachtkamer en haar wederpartij toezenden.
3.19.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De pachtkamer
in het incident
4.1.
veroordeelt [partij 2] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [partij 1] te verstrekken:
  • afschriften van de volledige Gecombineerde Opgave inclusief de perceelregistratie over de jaren 2022, 2023 en 2024;
  • afschriften van de volledige jaarrekeningen over de jaren 2022 en 2023;
  • een afschrift van de volledige jaarrekening over 2024 voor zover deze bestaat, dan wel de volledige conceptjaarrekening over 2024 voor zover deze bestaat;
4.2.
veroordeelt [partij 2] voor elke week of gedeelte van een week dat hij in gebreke blijft met de (volledige) nakoming van de veroordeling onder 4.1 tot betaling aan [partij 1] van een dwangsom van € 1.000,00 per week, met een maximum van € 25.000,00;
4.3.
veroordeelt [partij 2] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [partij 1] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
4.5.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag
11 maart 2026om 11:00 uur voor het nemen van een akte door [partij 1] naar aanleiding van de door [partij 2] in het kader van het incident te overleggen Gecombineerde Opgaven en jaarrekeningen;
4.6.
bepaalt dat [partij 2] vervolgens in de gelegenheid wordt gesteld om op een termijn van
vier wekenbij akte op deze akte van [partij 1] te reageren;
4.7.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter-voorzitter, en de deskundige leden L. Punt en N. Wassenaar, in het gerechtsgebouw te Lelystad, op een door de pachtkamer nog vast te stellen datum en tijd;
4.8.
bepaalt dat de namen van de kantonrechter-voorzitter en de deskundige leden nog niet definitief zijn en dat de zaak nog aan een andere kantonrechter-voorzitter of deskundige leden
kan worden toegedeeld omdat de uiteindelijke toedeling vlak voor de zitting plaatsvindt;
4.9.
bepaalt dat als een andere kantonrechter-voorzitter en/of deskundige leden de zaak op zitting zullen behandelen partijen uiterlijk twee werkdagen voor de zitting daarvan bericht krijgen;
4.10.
bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen;
4.11.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 11 februari 2026voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
mei 2026tot en met
september 2026, waarbij zij
minstens vijfentwintig dagdelenvrij moeten laten waarop de mondelinge behandeling zou kunnen plaatsvinden, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald;
4.12.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de pachtkamer het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen;
4.13.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;
4.14.
wijst partijen erop, dat voor de mondelinge behandeling
een dagdeel (volledige ochtend of middag)zal worden uitgetrokken;
4.15.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter-voorzitter, en de deskundige leden L. Punt en N. Wassenaar, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
45353