ECLI:NL:RBMNE:2026:852

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11515361 \ MC EXPL 25-545 BW 31650
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 476a RvArt. 476b RvArt. 477a lid 1 RvArt. 477a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling derdenbeslag na tijdige verklaring door derde-beslagene

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van een bedrag van €66.093,81 van gedaagde, omdat gedaagde geen verklaring had afgelegd na derdenbeslaglegging. De procedure betreft een huurovereenkomst die was geëindigd en een betalingsachterstand.

Gedaagde heeft echter alsnog een verklaring afgelegd waarin zij stelt geen gelden van de huurder onder zich te houden. Eiseres heeft deze verklaring niet tijdig betwist binnen de wettelijk gestelde termijn van twee maanden. Hierdoor vervalt de grondslag voor de vordering tot betaling alsof gedaagde zelf schuldenaar was.

De kantonrechter wijst de vordering van eiseres af en veroordeelt gedaagde in de proceskosten die zij nodeloos heeft veroorzaakt door de verklaring pas na dagvaarding af te leggen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van de mondelinge behandeling omdat zij geen belang meer had bij haar vordering na het indienen van de verklaring. Het vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot betaling wordt afgewezen omdat de derde-beslagene tijdig een verklaring heeft afgelegd die niet is betwist.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11515361 \ MC EXPL 25-545 BW 31650
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: de heer [B] ,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 23 producties van 24 januari 2025,
- de conclusie van antwoord van 7 april 2025,
-de akte overlegging producties 1-8 van [gedaagde] van 15 juli 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad.
Namens [eiseres] is de heer [A] (Financial Controller) verschenen, bijgestaan door de heer [B] en de heer [C] . Namens [gedaagde] is de heer [D] (bestuurder) verschenen, bijgestaan door mr. Wienen. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak tussen Stichting Cedin en [gedaagde] , met zaaknummer 11741747. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting met partijen is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
Tussen [eiseres] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) heeft tot 12 december 2024 een huurovereenkomst bestaan voor een bedrijfsruimte aan het adres [adres] te [plaats] . [bedrijf] heeft een aanzienlijke huurachterstand laten ontstaan. Tijdens een zitting op 8 mei 2024 bij de Rechtbank Noord-Nederland hebben [eiseres] en [bedrijf] in een proces-verbaal afspraken gemaakt, waarin onder meer een betalingsregeling is overeengekomen. [bedrijf] is die afspraken niet nagekomen, waarna op 12 november 2024 het proces-verbaal aan [bedrijf] is betekend.
[eiseres] heeft derdenbeslag laten leggen onder [gedaagde] (de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] ). Omdat [gedaagde] (ondanks herhaalde aanmaningen) geen derdenverklaring heeft afgelegd in de zin van artikel 476a juncto 476b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maakt [eiseres] in deze procedure aanspraak op betaling van [gedaagde] van het bedrag van € 66.093,81 waarvoor het beslag is gelegd.

3.De beoordeling

Toetsingskader
3.1.
De vraag die beantwoord moet worden is of [gedaagde] in deze procedure veroordeeld kan worden tot betaling aan [eiseres] van € 66.093,81, omdat zij geen derdenverklaring na beslaglegging heeft afgelegd.
[eiseres] baseert haar vordering op artikel 477a lid 1 Rv. In de eerste volzin is bepaald, kort gezegd, dat als de derde-beslagene geen verklaring doet, hij of zij kan worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar. Uit de tweede volzin volgt dat de derde-beslagene wordt toegelaten alsnog een gerechtelijke verklaring te doen.
3.2.
[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord (ontvangen op 7 april 2025) en bij nadere akte van 15 juli 2025 alsnog een verklaring en bijbehorende producties afgelegd, waarin kort gezegd staat dat [gedaagde] geen gelden van [bedrijf] onder zich houdt.
Omdat [gedaagde] alsnog een verklaring heeft afgelegd, bestaat er geen grond (meer) om haar aansprakelijk te houden voor het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware zij daarvan zelf schuldenaar. Een verklaring derdenbeslag die alsnog wordt afgelegd, verhindert namelijk dat de derde-beslagene op grond van artikel 477a lid 1 Rv wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd.
Op grond van artikel 477a lid 2 Rv heeft [eiseres] twee maanden de tijd om die verklaring te betwisten. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. De bevoegdheid van [eiseres] om de verklaring te betwisten is dus vervallen.
3.3.
Wel heeft Stichting Cedin op 23 mei 2025 een nieuwe dagvaarding uitgebracht tegen [gedaagde] en daarin de verklaring van [gedaagde] betwist op grond van artikel 477a lid 2 RV. Omdat die vordering door een andere rechtspersoon is ingesteld, kunnen die standpunten en processtukken niet in deze procedure betrokken worden.
De kantonrechter wijst tegelijkertijd met deze zaak een vonnis in de zaak tussen Stichting Cedin en [gedaagde] .
[gedaagde] moet de proceskosten (grotendeels) betalen
3.4.
Omdat [gedaagde] alsnog, na dagvaarding, de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv heeft afgelegd komen de proceskosten, als nodeloos veroorzaakt, voor haar rekening. Dat staat in artikel 477a lid 1 Rv.
De door [eiseres] in dit verband gemaakte proceskosten worden begroot op
€ 2.595,30, bestaande uit € 1.461,00 aan griffierecht, € 124,30 aan kosten dagvaarding,
€ 866,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten.
De proceskosten voor de mondelinge behandeling moet [eiseres] betalen3.5. De proceskosten die partijen hebben gemaakt voor de mondelinge behandeling komen voor rekening van [eiseres] . Nadat de verklaring door [gedaagde] in het geding was gebracht (en de juistheid daarvan door [eiseres] niet (tijdig) werd betwist) had [eiseres] geen belang meer bij haar vordering.
De kosten voor de mondelinge behandeling zijn daarom nodeloos veroorzaakt (door [eiseres] ). Gelet op de gelijktijdige behandeling met de zaak tussen Stichting Cedin en [gedaagde] , zal het salaris gemachtigde voor de mondelinge behandeling worden vastgesteld op een half punt salaris (0,5 x € 866,00), te vermeerderen met de nakosten van
€ 144,00. Dat betekent dat [eiseres] voor de mondelinge behandeling wordt veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] ter hoogte van € 577,00.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.595,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.