Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:859

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11970455 \ UC EXPL 25-9082
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 3:37 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur medische behandeling; rente toegewezen, incassokosten afgewezen

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van een factuur van €189,00 voor een medische behandeling, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde heeft de hoofdsom na dagvaarding betaald, maar betwist de verschuldigdheid van de bijkomende kosten.

De kantonrechter stelt vast dat de hoofdsom op 12 januari 2026 is voldaan. Gedaagde is vanaf de verzuimdatum wettelijke rente verschuldigd over het factuurbedrag. De ontvangsttheorie wordt toegepast om te bepalen dat het niet ontvangen van de factuur aan gedaagde zelf te wijten is, omdat de factuur naar een door gedaagde opgegeven adres is gestuurd.

De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat gedaagde de veertiendagenbrief heeft ontvangen. De proceskosten worden toegewezen aan eiseres omdat gedaagde pas na dagvaarding betaalde. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet wettelijke rente en proceskosten betalen, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11970455 \ UC EXPL 25-9082
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Bosveld Incasso & Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 23 oktober 2025 met producties;
  • het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 19 november 2025 met een schriftelijk verweer met producties (de conclusie van antwoord);
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek met producties.
1.2.
Daarna is bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

[gedaagde] heeft een behandeling gehad bij [bedrijf] . [bedrijf] heeft voor deze behandeling niet betaald gekregen van [gedaagde] , waardoor zij haar vordering op [gedaagde] heeft overgedragen aan [eiseres] via een akte van cessie. [eiseres] vordert nu betaling van een bedrag van € 189,00, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] de hoofdsom van € 189,00 betaald. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de bijkomende kosten. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagde] de rente moeten betalen aan [eiseres] over het bedrag van € 189,00 vanaf de verzuimdatum tot 12 januari 2026.

3.De beoordeling

De hoofdsom van € 189,00 heeft [gedaagde] op 12 januari 2026 betaald
3.1.
[gedaagde] heeft niet betwist dat zij de hoofdsom van € 189,00 is verschuldigd vanwege een behandeling bij [bedrijf] . Bij haar conclusie van dupliek heeft zij ook een betalingsafschrift gevoegd van een betaling van € 189,00 op 12 januari 2026 aan de gemachtigde van [eiseres] . De kantonrechter constateert dat bij de omschrijving van deze betaling het dossiernummer van de gemachtigde van [eiseres] is vermeld. Daarmee is voor de kantonrechter komen vast te staan dat de hoofdsom van € 189,00 op 12 januari 2026 is betaald. Dit betekent dat dit deel van de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen over € 189,00 vanaf de verzuimdatum tot 12 januari 2026
3.2.
[gedaagde] stelt dat zij geen factuur van [eiseres] heeft ontvangen. Daarmee voert zij verweer tegen de gevorderde wettelijke rente, die tot 14 oktober 2025 is berekend op een bedrag van € 4,69.
3.3.
Op grond van artikel 6:119 BW Pro is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. [eiseres] hanteert als moment van intreden van het verzuim de 31ste dag na de factuurdatum van 16 april 2025. [gedaagde] betwist dat zij de factuur heeft ontvangen, omdat deze is geadresseerd aan het adres [adres 1] in [plaats] , terwijl zij in april 2025 woonde op het adres [adres 2] in [plaats] . Dit verschil in adressering staat op zichzelf niet ter discussie. Bij de vraag voor wiens risico het is dat de factuur naar een verkeerd adres is verzonden, is de ontvangsttheorie zoals omschreven in artikel 3:37 lid 3 BW Pro van belang. Volgens de ontvangsttheorie moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (zoals een factuur) om haar werking te hebben, de geadresseerde hebben bereikt, tenzij het niet bereiken het gevolg is van een voor rekening en risico van de geadresseerde komende omstandigheid.
3.4.
Geoordeeld wordt dat het niet bereiken van de factuur voor rekening en risico van [gedaagde] komt. [eiseres] heeft namelijk bij conclusie van repliek gesteld dat de factuur is verzonden aan het adres dat [gedaagde] zelf heeft opgegeven bij de zorgverlener. De zorgverlener in deze zaak was [bedrijf] en niet – zoals [gedaagde] kennelijk begrijpt – de huisarts van [gedaagde] . Dat [gedaagde] bij haar huisarts een juist adres heeft opgegeven, zegt naar het oordeel van de kantonrechter niets over de wijze van adressering bij [bedrijf] . Dit betekent dat de onjuiste adressering voor rekening van [gedaagde] komt en dat zij dus vanaf de 31ste dag na de factuurdatum van 16 april 2025 in verzuim is met betaling van die factuur. Zij is daarom nog wettelijke rente verschuldigd over de aanvankelijke hoofdsom van € 189,00. Deze is tot 14 oktober 2025 berekend op een bedrag van € 4,69. Omdat [gedaagde] op 12 januari 2026 deze hoofdsom heeft betaald, is zij slechts tot die datum de wettelijke rente verschuldigd.
[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 te betalen
3.5.
[gedaagde] betwist ook de ontvangst van de herinneringen en daarmee de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00. Hierin krijgt [gedaagde] gelijk.
3.6.
[eiseres] heeft pas recht op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). Deze zogenoemde veertiendagenbrief, waarvan [eiseres] heeft gesteld dat zij die op 19 september 2025 aan [gedaagde] heeft verstuurd, is in deze procedure overgelegd. Ook hiervoor geldt de ontvangsttheorie van artikel 3:37 lid 3 BW Pro. Op basis van deze ontvangsttheorie moet de brief van 19 september 2025 [gedaagde] hebben bereikt om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Over deze brief is niet in geschil dat de adressering juist is. Maar toch kan van de ontvangst van de brief niet worden uitgegaan, omdat [gedaagde] ook hiervan de ontvangst heeft betwist. [eiseres] heeft op haar beurt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld op basis waarvan van de ontvangst van de brief kan worden uitgegaan. [eiseres] stelt dat deze brief is gestuurd naar hetzelfde adres als waar de dagvaarding is uitgebracht en dat dit ook het adres is waar [gedaagde] woonachtig is. Maar deze stelling leiden niet tot de conclusie dat [gedaagde] de brief daadwerkelijk heeft ontvangen, wat wel is vereist op grond van de ontvangsttheorie. Deze stellingen zijn te algemeen om daaruit te concluderen dat [gedaagde] de veertiendagenbrief wel ontvangen moet hebben. Er zijn geen brieven aangetekend verzonden. De gevolgen van de keuze om brieven per gewone post en niet aangetekend te versturen, dienen voor rekening en risico van [eiseres] te komen. De buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 worden daarom afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.7.
[gedaagde] heeft pas na het uitbrengen van de dagvaarding de hoofdsom betaald. Dat betekent dat [eiseres] [gedaagde] terecht in rechte heeft betrokken. Op moment van betaling had [eiseres] al kosten gemaakt. [eiseres] is gerechtigd deze kosten op [gedaagde] te verhalen. De proceskosten (inclusief nakosten) komen daarom voor rekening van [gedaagde] . De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
363,28

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4,69 aan verschenen rente tot 14 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 189,00, met ingang van 14 oktober 2025 tot
12 januari 2026;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 363,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.