ECLI:NL:RBMNE:2026:86

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
16.406489.24 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doden van een hond, voorhanden hebben van een vuurwapen en illegaal vuurwerk

In deze strafzaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 20 januari 2026 uitspraak gedaan tegen een verdachte die beschuldigd werd van het doden van zijn hond, het voorhanden hebben van een vuurwapen en het opslaan van illegaal vuurwerk. De feiten vonden plaats in Almere, waarbij de verdachte op 18 november 2024 zijn hond heeft gedood door deze in het hoofd en/of de nek te schieten. Daarnaast had hij tussen 1 oktober 2024 en 23 december 2024 een pistool en munitie voorhanden, en op 23 december 2024 had hij professioneel vuurwerk opgeslagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte schuldig is aan alle ten laste gelegde feiten. De verdachte heeft de feiten bekend en de rechtbank heeft de bewijsvoering als voldoende beschouwd. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 92 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens is er een taakstraf van 120 uren opgelegd en een verbod om gedurende tien jaar dieren te houden. De rechtbank heeft rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoonlijke situatie van de verdachte, waaronder zijn middelengebruik. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis opgeheven en de verdachte is onderworpen aan bijzondere voorwaarden, waaronder reclasseringstoezicht en behandeling voor zijn middelenverslaving.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.406489.24 (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1991] in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] te [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 6 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S. de Leon;
  • de officier van justitie: mr. V.H. van der Horst.

2.TENLASTELEGGING

De beschuldiging komt erop neer dat verdachte:
Feit 1
op 18 november 2024 te Almere een hond heeft gedood door die hond in het hoofd en/of in de nek te schieten;
Feit 2
in de periode tussen 1 oktober 2024 en 23 december 2024 te Almere een pistool en/of een patroonmagazijn en/of munitie voorhanden heeft gehad;
Feit 3
op 23 december 2024 te Almere professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte alle feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft gepleegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de bewezenverklaring van de feiten.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd zijn door hem begaan. De verdachte heeft deze drie feiten bekend en de advocaat van de verdachte heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
Feit 1
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter zitting van 6 januari 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 24 december 2024, genummerd PL0900-2024368807-21, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, houdende de verklaring van de verdachte, pagina’s 40 en 41;
  • een forensisch rapport van 5 december 2024, opgemaakt door drs. M. Verkerk, MSc., veterinair forensisch arts, pagina’s 175 en 182.
Feit 2
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter zitting van 6 januari 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 24 december 2024, genummerd PL0900-2024368807-21, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, houdende de verklaring van de verdachte, pagina 43;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 december 2024, genummerd PL900-2024368807-33, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, houdende de bevindingen van de verbalisanten, pagina’s 188, 189 en 190;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2025, genummerd PL0900-2024368807-67, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, houdende de bevindingen van de verbalisant, pagina’s 356 t/m 359.
Feit 3
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter zitting van 6 februari 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 december 2024, genummerd PL900-2024368807-33, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, houdende de bevindingen van de verbalisanten, pagina’s 188, 189 en 190;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, genummerd PL0900 BVH 2024406609, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, houdende de bevindingen van de verbalisant, pagina 303.

5.BEWEZENVERKLARING

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:
1
op 18 november 2024 te Almere, een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoort, te weten een hond, heeft gedood, door voornoemde hond meermalen in het hoofd en de nek, althans het lichaam te schieten, terwijl er geen sprake was van bedrijfsmatige productie van dierlijke producten of in, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen;
2
in de periode tussen 1 oktober 2024 en 23 december 2024 te Almere een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van origine gaspistool, merk Zoraki, model 2918, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van pistool en een patroonmagazijn en munitie van categorie III, te weten 66 kogelpatronen voorhanden heeft gehad;
3
op 23 december 2024 te Almere opzettelijk
- 9 stuks shells (mortierbommen), lijst III, categorie F4 en
- 10 stuks nitraten, althans knalvuurwerk, lijst IIB, categorie F3 en
- 0,005 kilogram vuurwerk, lijst IIA, categorie F2,
in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad.
Het overige wat in de beschuldiging onder feit 1, 2 en 3 staat, kan niet bewezen worden. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
Feit 1: zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.10, eerste lid, van de Wet dieren;
Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
Feit 3: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit juncto artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8.OPLEGGING VAN STRAF

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 330 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 243 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals die bij de schorsingsbeslissing zijn opgenomen en daarnaast de door Tactus geadviseerde voorwaarde van controles op middelengebruik;
- een taakstraf van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis;
- een verbod om dieren te houden, ex artikel 8.11a van de Wet dieren, voor de duur van 10 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dit verbod dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast kan een aanvullende voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daarbij de door de reclassering genoemde bijzondere voorwaarden, zodat de verdachte passende hulpverlening krijgt om van zijn drugsverslaving af te komen. De advocaat heeft zich niet verzet tegen het opleggen van een taakstraf.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter zitting is gebleken.
De ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van zijn hond door het dier meerdere keren in zijn kop en nek te schieten. De rechtbank wil aannemen dat de verdachte dit niet heeft gedaan uit wreedheid of vanuit de behoefte om het dier te mishandelen of pijn te doen. De verdachte heeft namelijk verklaard dat de hond onhandelbaar en onbetrouwbaar gedrag vertoonde en die dag zijn kinderen had gebeten en spullen thuis kapot had gemaakt. Bij de verdachte ontstond er een paniekgevoel omdat hij zich geen raad meer wist met de hond. Omdat hij onder invloed was van verdovende middelen en sterke pijnstillers heeft hij toen een volstrekt onjuiste keuze gemaakt door het dier eigenhandig dood te schieten. Dit is zeer kwalijk, temeer omdat de verdachte andere keuzes had kunnen en moeten maken, zoals het vragen van professionele hulp of het vinden van een ander onderkomen voor de hond.
De rechtbank vindt het ook heel kwalijk dat de verdachte een wapen, munitie en een patroonhouder voorhanden heeft gehad. Het behoeft geen verdere uitleg dat het voorhanden hebben van een dergelijk wapen en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt, waarvan de gevolgen desastreus kunnen zijn.
Ten slotte heeft de verdachte een hoeveelheid professioneel vuurwerk voorhanden gehad en her en der opgeslagen in zijn woning. Het voorhanden hebben en de opslag van professioneel vuurwerk is gevaarlijk. Voor het vervoer en de opslag van dergelijk vuurwerk gelden strenge regels en is gespecialiseerde kennis vereist. Niet alleen het gevaar voor brand bij de opslag, maar ook het tot ontbranding van professioneel vuurwerk brengt risico’s met zich, zowel voor degene die het vuurwerk tot ontbranding brengt, alsook voor eventuele omstanders. De verdachte heeft hierin onverantwoord gehandeld.
De persoon van de verdachte
In het strafblad van 1 december 2025 heeft de rechtbank gezien dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten als de feiten die nu bewezen zijn verklaard.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 1 april 2025. Daarin staat dat er geen sprake is van een delictpatroon. De reclassering beschouwt het middelengebruik en de houding van de verdachte als direct delictgerelateerd. Het sociale netwerk en het psychosociaal functioneren zijn indirect delictgerelateerd. De verdachte heeft vrienden en kennissen die ervoor zorgen dat hij toegang heeft tot drugs en een vuurwapen. Hij houdt zich bewust niet aan de geldende wetten en regels met betrekking tot vuurwerk, en zijn probleemoplossend vermogen hapert onder invloed van middelen. Praktisch gezien zijn er geen problemen te benoemen in het leven van de verdachte. Hij is gemotiveerd om een behandeling te ondergaan met als doel zijn middelenverslaving te overwinnen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:
een meldplicht bij de reclassering;
ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname;
meewerken aan middelencontrole;
een verbod om dieren te houden;
openheid geven over zijn sociale netwerk.
In een aanvullend bericht van Tactus Reclassering Flevoland van 30 december 2025 staat dat het middelengebruik van de verdachte nog niet helemaal is teruggedrongen. Hij staat op de wachtlijst voor een detox, maar daarna is ook huisvestiging nodig. Hij staat op de wachtlijst voor Kwintes en is ook aangemeld bij [instelling] . Tot slot verzoekt Tactus om de voorwaarde van middelencontrole ruimer te formuleren dan nu in de schorsingsvoorwaarden is opgenomen.
De straf en maatregel
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten (LOVS). Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor het voorhanden hebben van een pistool in een woning gaan de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Voor het doden van een hond en voor het in huis voorhanden hebben van illegaal voorwerk zijn er geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. Voor deze feiten worden in andere zaken uiteenlopende taak- en/of gevangenisstraffen opgelegd, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Gelet op de ernst van de feiten vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen passend en geboden. De verdachte heeft namelijk niet alleen een vuurwapen met bijpassende munitie voorhanden gehad, maar heeft dit vuurwapen ook daadwerkelijk gebruikt om zijn hond dood te schieten en hij heeft illegaal vuurwerk in zijn woning voorhanden gehad, zodat er reden is om aan de verdachte een hogere gevangenisstraf op te leggen.
Een gedeelte daarvan, namelijk 92 dagen, zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Dit betekent dat de verdachte nu niet opnieuw vast komt te zitten. De bedoeling van de voorwaardelijke straf en de hierna te noemen bijzondere voorwaarden is de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijk gedeelte zal de rechtbank de volgende voorwaarden verbinden:
een meldplicht bij de reclassering;
ambulante behandeling door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, met de mogelijkheid van een kortdurende opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie
of diagnostiek;
3. meewerken aan controles op het gebruik van middelen (alcohol, verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet);
4. verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
Om de verdachte daadwerkelijk te laten voelen wat de consequenties zijn van zijn handelen, zal de rechtbank aan hem ook een taakstraf van 120 uren opleggen, bij niet voldoen te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis.
Ten slotte legt de rechtbank, op grond van artikel 8.11a van de Wet dieren, aan de verdachte het verbod op om dieren te houden, voor de duur van tien jaren. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen grondslag voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van deze vrijheidsbeperkende maatregel, nu verdachte zich al langere tijd, namelijk sinds maart 2025, heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, waarin dit verbod ook was opgenomen.
De voorlopige hechtenis
Vorenstaande brengt mee dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

9.BESLAG

Verbeurdverklaring
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten te weten een ketting (die om de hals van de hond zat), verbeurd verklaren. Met betrekking tot dit voorwerp is het onder 1 bewezen verklaarde feit begaan.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten een kogel (aangetroffen in de kop van de hond), onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met behulp van dit voorwerp is bovendien het onder 1 bewezen verklaarde feit begaan.

10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen
  • 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
  • 2.10, 8.11, 8.11a en 8.12 van de Wet Dieren;
  • 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
  • 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;
  • 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11.BESLISSING

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 180 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
92 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
* zich zal melden bij Inforsa reclassering op het adres Noorderweg 68 te Hilversum, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
* mee zal werken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* zich onder behandeling zal stellen van JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De behandeling start zo snel als mogelijk. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling
aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie
of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende
opname indiceert, zal de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en
de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
* zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Kwintes in [plaats] of [instelling] , of een soortgelijke instelling, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
- legt aan de verdachte, op grond van artikel 8.11a Wet dieren, de vrijheidsbeperkende maatregel op, inhoudende
het verbod om dieren te houden voor de duur van 10 jaren;
Beslag
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
 ketting, goednummer PL0900-2024368807-3456943;
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
 kogel, goednummer PL0900-2024368807-3453229;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter, mr. H. den Haan en mr. R.W. Nederveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 18 november 2024 te Almere, althans in Nederland een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoort, te weten een hond heeft gedood, door voornoemde hond meermalen, althans eenmaal in het hoofd en/of de nek, althans het lichaam te schieten, terwijl er geen sprake was van bedrijfsmatige productie van dierlijke producten of in, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen vervallen;
zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren;
2
hij in of omstreeks de periode tussen 1 oktober 2024 en 23 december 2024 te Almere een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van origine gaspistool, merk Zoraki, model 2918, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of een patroonmagazijn en/of munitie van categorie III, te weten 66 kogelpatronen voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 23 december 2024 te Almere opzettelijk
- 9 stuks shells (mortierbommen), lijst III, categorie F4 en/of
- 10 stuks nitraten, althans knalvuurwerk, lijst IIB, categorie F3 en/of
- 0,005 kilogram vuurwerk, lijst IIA, categorie F2,
in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad.