ECLI:NL:RBMNE:2026:888

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/6611
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieverzoek kinderopvangtoeslag wegens ontbreken aanvraag en schade

Eiseres heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2019. Dienst Toeslagen heeft het verzoek afgewezen omdat uit hun systemen blijkt dat eiseres geen aanvraag heeft ingediend, geen toeslag heeft ontvangen en niet geconfronteerd is met correcties of terugvorderingen.

De rechtbank toetst of de afwijzing op goede gronden is gebaseerd. Volgens de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) moet een aanvrager aantonen dat hij schade heeft geleden door institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden in de toepassing van de wet. Eiseres heeft geen bewijs geleverd van een aanvraag of van schade.

De rechtbank volgt het standpunt van Dienst Toeslagen en wijst het beroep af. Het beroep is ongegrond verklaard, eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te toetsen omdat geen sprake is van gedupeerdheid.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van compensatie wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van aanvraag en schade.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6611

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres

(gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie in het besluit van
19 april 2023 (het primaire besluit) afgewezen. In het bestreden besluit van 15 oktober 2025 is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiseres heeft zich op 22 september 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2019.
3. Dienst Toeslagen heeft in het kader van de integrale beoordeling geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat eiseres een gedupeerde is van de toeslagenaffaire, omdat eiseres volgens de gegevens van Dienst Toeslagen geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ontvangen over de jaren 2005 tot en met 2019.

Beoordeling door de rechtbank

4. De vraag die hier voorligt is of Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie op goede gronden heeft afgewezen.
Afwijzing compensatie
5. Uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding van materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen.
6. Uit de memorie van toelichting bij de Wht [1] volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiseres moet dus meer doen dan alleen zeggen dat zij een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier van eiseres geen stukken bevinden waaruit blijkt dat een aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend. Dienst Toeslagen stelt dat hij een doorzoeking heeft gedaan van zijn informatiesystemen en dat daarbij geen aanvraag van eiseres is aangetroffen. In de informatiesystemen van Dienst Toeslagen zijn ook geen gegevens terug te vinden over uitbetalingen van kinderopvangtoeslag of voorschotbeschikkingen over de jaren 2005 tot en met 2019. Ook is niet gebleken dat eiseres voor die jaren met een daadwerkelijke correctie, stopzetting of terugvordering van de kinderopvangtoeslag geconfronteerd is geweest. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van schade als gevolg van het handelen van Dienst Toeslagen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de toelichting van Dienst Toeslagen. Te meer omdat eiseres geen begin van bewijs heeft geleverd op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat zij daadwerkelijk een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Het standpunt van eiseres dat door derden, te weten [persoon1] en [persoon2] , kinderopvangtoeslag is aangevraagd namens eiseres terwijl zij daarvan niet op de hoogte was kan de rechtbank niet volgen. Daaruit blijkt immers ook niet dat zij aanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht was. Voor zover eiseres meent dat hier sprake is van identiteitsfraude wijst de rechtbank op de mogelijkheden om daartegen aangifte te doen.
8. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiseres gedupeerd is als gevolg van de toeslagenaffaire. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan de beroepsgronden van eiseres die zien op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dienst Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een compensatie aan eiseres.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.