ECLI:NL:RBMNE:2026:890

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
16.247059.25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor driemaal verduistering in dienstbetrekking met taakstraf en schadevergoeding

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor drie afzonderlijke feiten van verduistering gepleegd tussen juli 2023 en juli 2024 bij verschillende tankstations waar hij als uitzendkracht werkte. Verdachte maakte zich schuldig aan het wegnemen van geld, Paysafekaarten en sigaretten terwijl hij alleen in dienst was. Hij handelde telkens op vergelijkbare wijze en samen met anderen.

De verdachte bekende de feiten tijdens de zitting en er was geen verweer tegen het bewijs. De rechtbank baseerde haar oordeel op bekentenissen en aangifteprocessen van de tankstations. De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 362 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis bij niet-naleving.

Daarnaast werd een schadevergoeding van €6.600 toegewezen aan het benadeelde tankstation BP, bestaande uit een vast bedrag voor vervanging van sloten en een geschatte vergoeding voor weggenomen goederen. De rechtbank wees een deel van de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing en legde een schadevergoedingsmaatregel op. Tevens werden twee eerder opgelegde voorwaardelijke straffen omgezet in taakstraffen en ten uitvoer gelegd.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en het advies van de reclassering. Hoewel verdachte onder druk stond vanwege schulden, werd dit niet als rechtvaardiging gezien. De straf is passend geacht gezien de ernst en herhaling van de feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf waarvan 362 voorwaardelijk, 240 uur taakstraf en €6.600 schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.247059.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [verdachte] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende op de [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2026. Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. A.E. Lohuis;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S. van der Leer (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1:op 9 juli 2023 in Bunnik, samen met anderen, geldbedragen, Paysafekaarten en sloffen/pakjes sigaretten van tankstation Esso heeft weggenomen terwijl hij daar aan het werk was als uitzendkracht;
feit 2:op 2 september 2023 in Muiden, samen met anderen, geldbedragen en sloffen/pakjes sigaretten van tankstation Texaco heeft weggenomen terwijl hij daar aan het werk was als uitzendkracht;
feit 3:op 27 juli 2024 in Naarden, samen met anderen, geldbedragen en sloffen/pakjes sigaretten van tankstation BP heeft weggenomen terwijl hij daar aan het werk was als uitzendkracht.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte bekent dat hij feit 1, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van de feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
feit 1, feit 2, feit 3:
 bekennende verklaring van de verdachte op de zitting d.d. 30 januari 2026;
 proces-verbaal van aangifte namens Esso d.d. 9 juli 2023; [2]
 proces-verbaal van aangifte namens Texaco d.d. 2 september 2023; [3]
 proces-verbaal van aangifte namens BP d.d. 27 juli 2024. [4]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 9 juli 2023 te Bunnik tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk geldbedragen en Paysafekaarten en meerdere sloffen en pakjes sigaretten, dat toebehoorde aan Esso Tankstation gelegen aan de A12, en welk goed verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als uitzendkracht onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
feit 2op 2 september 2023 te Muiden, gemeente Gooise Meren tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk geldbedragen en meerdere sloffen en pakjes sigaretten dat toebehoorde aan Texaco Tankstation gelegen aan de A1 en welk goed verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als uitzendkracht, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
feit 3
op 27 juli 2024 te [plaats] , gemeente Gooise Meren tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk geldbedragen en meerdere sloffen en pakjes sigaretten, dat toebehoorde aan BP Tankstation gelegen aan de [adres 2] en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als uitzendkracht onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1, feit 2, feit 3: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5.2.
Strafbaarheid feiten en strafbaarheid verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6.Straf

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast eist de officier van justitie een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat vindt de strafeis passend en heeft daarom geen verweer gevoerd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich meerdere keren schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Daarbij is hij steeds op soortgelijke wijze te werk gegaan: hij meldde zich aan dan wel werd aangemeld bij uitzendbureau [naam] , ging aan het werk bij een tankstation en zodra hij alleen in dienst was, haalde hij kassa’s en kluizen leeg. Daarnaast nam hij ook grote hoeveelheden sigaretten weg. Hij stopte alles in vuilniszakken en zette deze zakken buiten op een kar, waarna deze door een onbekend gebleven persoon werden opgehaald.
De verdachte heeft dit bij drie verschillende tankstations gedaan en daarmee niet alleen heel veel geld en waardevolle goederen weggenomen, maar ook het vertrouwen van zijn nieuwe werkgevers geschaad en met zijn handelen veel overlast veroorzaakt.
De rechtbank heeft aan de andere kant ook oog voor de dreiging en de druk waaronder de verdachte stelt de feiten te hebben gepleegd. Hij heeft gezegd dat hij destijds schulden moest aflossen die hij had opgelopen in de drugswereld. De rechtbank is weliswaar van oordeel dat dat geen rechtvaardiging is voor de verduisteringen, maar weegt wel mee dat de verdachte dus niet geheel uit vrije wil de feiten heeft gepleegd.
Strafblad
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het uittreksel uit het justitiële documentatieregister (het strafblad) van de verdachte van 22 september 2025. Hieruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en ook nog in twee proeftijden van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen liep.
Persoonlijke omstandigheden
De Reclassering Nederland adviseert in haar rapport van 27 januari 2026 om, mocht het tot een bewezenverklaring komen, een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Zij zien geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De verdachte lijkt nu voor het eerst gemotiveerd om zijn leven een positieve wending te geven na een jarenlang patroon van vermogensdelicten en een moeizaam hulpverleningstraject. Hij woont (met een WLZ-indicatie) bij [instelling] . Daar krijgt hij de nodige structuur en begeleiding op alle leefgebieden.
De verdachte heeft op de zitting bevestigd dat het goed met hem gaat. Hij heeft sinds een paar maanden een baan bij een tankstation, hij heeft een goede band met ex-vriendin, hij wordt niet meer bedreigd, heeft meer rust en wil graag verder met zijn leven. Daarnaast heeft hij de (dagelijkse) zorg voor zijn kinderen.
Strafoplegging
De rechtbank vindt, gelet op al het bovenstaande, de strafeis van de officier van justitie passend, maar zal de voorwaardelijke gevangenisstraf wel iets anders formuleren. De reden daarvoor is dat in deze zaak het taakstrafverbod van toepassing is, waardoor niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 362 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. In feite komt deze straf neer op dezelfde straf als die de officier van justitie heeft geëist, want door het ondergane voorarrest in mindering te brengen, hoeft de verdachte niet (terug) naar de gevangenis en komt de straf in de praktijk neer op een geheel voorwaardelijke straf als stok achter de deur.
Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 240 uur op, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.

7.Vordering benadeelde partij

8.1.
Vordering van de benadeelde partij
Er is namens [bedrijf] V.O.F. (tankstation BP in Naarden) een verzoek tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van 28.996,12 euro. Dit betreft materiële schade die ziet op feit 3 en bestaat uit de volgende onderdelen:
  • kassageld: 750,00 euro;
  • voorraad tabak: 26.464,12 euro;
  • vervanging sloten: 1600,00 euro.
Daarnaast verzoekt de benadeelde partij het gevorderde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de advocaat bepleit om de vordering af te wijzen omdat deze onvoldoende is onderbouwd en meer subsidiair heeft hij verzocht de vordering sterk gematigd toe te wijzen.
8.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de vervanging van de sloten is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting staat vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 3 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering, zijnde 1600,00 euro, daarom toe.
De omvang van de schadepost die ziet op het weggenomen geld uit de kassa is niet vast te stellen omdat niet duidelijk is hoeveel geld er in de kassa zat voordat de verdachte deze leeghaalde. Dat geldt ook voor de schadepost die betrekking heeft op de voorraad tabak. Het is niet duidelijk hoeveel tijd er zat tussen de laatste telling en de verduistering, en het lijkt erop dat het gevorderde schadebedrag wordt gebaseerd op de verkoopprijs, terwijl het bij vaststelling van deze schade gaat om de prijs die de benadeelde partij zelf heeft betaald voor de tabak (de inkoopprijs).
Het voorgaande betekent niet dat in het geheel geen schadebedrag toewijsbaar is. Het is immers duidelijk dat de verdachte cashgeld en sigaretten van de benadeelde partij heeft weggenomen. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten die de benadeelde partij in ieder geval zal hebben geleden, en zal een bedrag toewijzen van 5.000,00 euro.
De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist en gelet op deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering en dit (desgewenst) nog aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
Conclusie
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van 6.600,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Proceskostencompensatie
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval moeten beide partijen elk hun eigen kosten betalen, omdat zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk heeft gekregen. De proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte zullen daarom worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van 6.600,00 euro aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 58 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader/mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader/een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

8.Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen

De politierechter heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16.115287.23 op 29 augustus 2023 een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken met een proeftijd van twee jaar opgelegd. Daarnaast is de verdachte, eveneens door de politierechter, in de zaak met parketnummer 16.244084.22 op 27 september 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 dagen met een proeftijd van twee jaar.
8.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vorderingen toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straffen ten uitvoer zullen worden gelegd. Daarbij heeft de officier van justitie wel gevorderd dat de gevangenisstraffen worden omgezet naar taakstraffen.
9.1.
Standpunt van de verdediging
De advocaat laat de beslissing over de tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
9.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in twee proeftijden liep toen hij de feiten waarvoor hij nu wordt veroordeeld, pleegde. Hij is destijds ook veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarom zal de rechtbank de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straffen bevelen, maar daarbij bepalen dat de gevangenisstraffen worden omgezet naar taakstraffen.
Dat houdt in dat de verdachte in de zaak met parketnummer 16.115287.23 een taakstraf van 140 uur moet verrichten (te vervangen door 6 weken hechtenis als hij dat niet of niet naar behoren doet) en in de zaak met parketnummer 16.244084.22 een taakstraf van 30 uur moet verrichten (te vervangen door 8 dagen hechtenis als hij dat niet of niet naar behoren doet).

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4. is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.
Strafoplegging
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 365 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een
gedeelte van 362 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee jaar vast;
- als
algemene voorwaardegeldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis.
Beslissing vordering tot schadevergoeding ( [bedrijf] V.O.F, feit 3)
  • wijst de vordering van [bedrijf] V.O.F. gedeeltelijk toe tot een bedrag van 6.600,00 euro;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [bedrijf] V.O.F. van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [bedrijf] V.O.F. voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
  • legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [bedrijf] V.O.F. aan de Staat 6.600,00 euro te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 58 dagen gijzeling.
  • bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Beslissing vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen
16.115287.23
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter bij vonnis van 29 augustus 2023 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe;
- gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een
taakstraf van 140 uren;
- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 6 weken hechtenis;
16.244084.22
  • wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter bij vonnis van 27 september 2022 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe;
  • gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een
  • beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 8 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 9 juli 2023 te Bunnik tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen, opzettelijk een of meerdere geldbedragen en/of Paysafe kaarten en/of een of meerdere sloffen en/of pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan Esso Tankstation gelegen aan de A12, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders,
uit hoofde van zijn/haar/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerker/uitzendkracht in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden,
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
(art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 321 Wetboek Pro van Strafrecht, art 322 Wetboek Pro van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 2 september 2023 te Muiden, gemeente Gooise Meren tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere geldbedragen en/of een of meerdere sloffen en/of pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan Texaco Tankstation gelegen aan de A1, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders, uit hoofde van zijn/haar/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerker/uitzendkracht in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden,
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
(art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 321 Wetboek Pro van Strafrecht, art 322 Wetboek Pro van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 27 juli 2024 te [plaats] , gemeente Gooise Meren tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere geldbedragen en/of een of meerdere sloffen en/of pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan BP Tankstation gelegen aan de [adres 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders, uit hoofde van zijn/haar/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerker/uitzendkracht in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
(art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 321 Wetboek Pro van Strafrecht, art 322 Wetboek Pro van Strafrecht).

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024333089, doorgenummerd pagina 1 tot en met 330. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.p. 15-17.
3.p. 113-116.
4.p. 223-226.