ECLI:NL:RBMNE:2026:891

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
16.092995.25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling jeugdige voor diverse diefstallen, wapendelicten en geweldsfeiten

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een jeugdige verdachte geboren in 2007. De verdachte werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder diefstal met geweld, poging tot zware mishandeling, openlijke geweldpleging, diverse winkeldiefstallen, overtredingen van de Wet Wapens en Munitie en mishandeling.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de diefstal met geweld en de poging tot zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs. Voor de overige feiten, waaronder meerdere winkeldiefstallen, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, openlijke geweldpleging en mishandeling, werd de verdachte wel schuldig bevonden. De bewezenverklaring was onderbouwd met bekennende verklaringen en diverse proces-verbalen.

De rechtbank legde een straf op bestaande uit twee maanden jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 120 uur, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel werden bijzondere voorwaarden verbonden, gericht op begeleiding en gedragsbeïnvloeding. De rechtbank oordeelde dat aanvullend psychiatrisch onderzoek niet noodzakelijk was en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden en het strafblad van de verdachte.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het ten grondslag liggende feit niet bewezen was. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder voorwaarden en zal worden opgeheven zodra de uitspraak onherroepelijk is.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van diefstal met geweld en poging zware mishandeling, veroordeeld tot 2 maanden jeugddetentie en taakstraf met bijzondere voorwaarden voor overige feiten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers:
16.092995.25, 16.035488.25 (gevoegd), 05.053466.25 (gevoegd), 18.379136.24 (gevoegd), 16.228409.25 (gevoegd), 15.047893.25 (gevoegd), 09.351335.25 (gevoegd).
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] (Syrië),
nu gedetineerd in JJI de [locatie] , [adres 1] , [postcode 1] te [plaats 1] ,
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie, mr. E.C.A. Bakker;
  • de advocaat van [verdachte] , mr. S. Melliti (hierna: de advocaat);
  • mevrouw [A] (Jeugdreclassering);
  • mevrouw [B] (Raad voor de Kinderbescherming);
  • mevrouw [C] (voogd van Nidos);
  • meneer [D] (buddycoach);
  • mevrouw [E] (vrijwillig betrokken als hulpverlening/ondersteuning).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
16.092995.25feit 1:
op 25 maart 2025 in Utrecht, samen met een ander, een diefstal met geweld heeft gepleegd door een geldbedrag van 600,00 euro weg te nemen van [aangever 1] ;
feit 2: op 20 oktober 2025 in Harderwijk heeft geprobeerd om [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die [aangever 2] met een mes in zijn been te steken;
feit 3: op 20 oktober 2025 in Harderwijk openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] en/of [aangever 3] terwijl het door verdachte gepleegde geweld lichamelijk letsel tot gevolg had;
16.035488.25op 2 februari 2025 in Utrecht samen met een ander een winkeldiefstal heeft gepleegd bij [aangever 5] ;
05.053466.25op 18 oktober 2024 in Arnhem samen met een ander een winkeldiefstal heeft gepleegd bij [aangever 6] ;
18.379136.24op 2 november 2024 in Groningen een winkeldiefstal heeft gepleegd bij [aangever 7] ;
16.228409.25feit 1: op 24 maart 2025 in Utrecht een wapen van categorie III voorhanden heeft gehad;feit 2: op 24 maart 2025 in Utrecht munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;
15.047893.25op 13 februari 2025 in Zaandam samen met een ander een winkeldiefstal heeft gepleegd bij [aangever 8] ;
09.351335.25op 27 december 2025 in Gouda [aangever 4] heeft mishandeld.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat [verdachte] alle feiten heeft gepleegd, met uitzondering van de poging tot zware mishandeling (16.092995.25, feit 2) en dus daarvan moet worden vrijgesproken. Daarnaast stelt zij dat [verdachte] bij de openlijke geweldpleging (16.092995.25, feit 3) partieel moet worden vrijgesproken van het letsel dat het door hem gepleegde geweld zou hebben veroorzaakt.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om [verdachte] vrij te spreken van de diefstal met geweld, de poging tot zware mishandeling en de openlijke geweldpleging (16.092995.25, feit 1, feit 2, feit 3). Daarnaast heeft de advocaat ook vrijspraak bepleit van de mishandeling (09.351335.25). De verweren van de advocaat over het bewijs worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.
Bij alle overige feiten (de winkeldiefstallen en de overtredingen van de Wet Wapens en Munitie) heeft de advocaat geen bewijsverweren gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat de diefstal met geweld (16.092995.25, feit 1) niet kan worden bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. [verdachte] was ter plaatse aanwezig, heeft in de auto bij aangever gezeten, is weggerend en is later aangehouden met een geldbedrag op zak. Maar de rechtbank is met de advocaat van oordeel dat niet vast is komen te staan dat het bij [verdachte] aangetroffen geldbedrag (ruim 1300 euro) gedeeltelijk bestond uit het geldbedrag van aangever (600 euro). Daarom kan de rechtbank niet vaststellen of [verdachte] geld van aangever heeft gestolen. Daarnaast is er onvoldoende bewijs voor dat [verdachte] geweld zou hebben gepleegd. Uit de wet volgt namelijk dat voor een bewezenverklaring meer nodig is dan alleen de verklaring van aangever. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen ander bewijs bevat voor geweld dan de aangifte, waarin aangever stelt dat [verdachte] hem een schouderduw heeft gegeven.
De rechtbank zal [verdachte] ook vrijspreken van de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (16.092995.25, feit 2). De rechtbank is met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat [verdachte] degene is geweest die aangever in zijn been heeft gestoken, nu de aangever daar wisselend over heeft verklaard en er daarnaast geen ander bewijs beschikbaar is.
4.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt voor alle overige feiten wel tot een bewezenverklaring.
Over de winkeldiefstallen (16.035488.25, 05.053466.25, 18.379136.24 en 15.047893.25) en de overtredingen van de Wet Wapens en Munitie (16.228409.25) heeft [verdachte] een bekennende verklaring afgelegd. Ook is voor deze feiten niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
  • bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 6 februari 2026;
  • proces-verbaal van aangifte namens [aangever 5] d.d. 2 februari 2025;
 proces-verbaal van aangifte namens [aangever 6] d.d. 18 oktober 2024; [3]
 proces-verbaal van aangifte namens [aangever 7] d.d. 2 november 2024; [4]
 proces-verbaal van bevindingen (categorisering wapen/munitie) d.d. 8 april 2025; [5]
 proces-verbaal van aangifte namens [aangever 8] d.d. 13 februari 2025; [6]
Voor de openlijke geweldpleging (16.092995.25, feit 3) en de mishandeling (09.351335.25) is wel om vrijspraak gevraagd. In dat geval moet de rechtbank de bewijsmiddelen uitschrijven. Voor deze feiten baseert de rechtbank haar oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De rechtbank zal hieronder in paragraaf 4.3.3 in een bewijsoverweging uitleggen waarom zij bij de openlijke geweldpleging (ondanks de ontkennende verklaring van [verdachte] en de verweren van de advocaat) toch tot een bewezenverklaring komt. Bij de mishandeling is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [verdachte] in het geheel wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen, waardoor een bewijsoverweging niet nodig is.
4.3.3.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging vereist is dat een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Daarbij geldt dat de enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, niet zonder meer voldoende is voor een dergelijke bijdrage.
Op grond van de bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat [verdachte] deel heeft uitgemaakt van de groep die openlijk geweld heeft gepleegd bij het station in Harderwijk. [verdachte] heeft zelf ook verklaard dat hij daar aanwezig was en dat er werd gevochten. De bijdrage van [verdachte] beperkt zich echter niet tot alleen aanwezig het daar zijn, nu uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] samen met anderen de aangever en de getuige heeft omsingeld, dat [verdachte] zowel door de aangever als door de getuige is gezien met een mes en dat door beiden ook verklaard is dat de groep van [verdachte] begon met steken.
Daarmee is naar oordeel van de rechtbank sprake van een voldoende significante bijdrage om tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging te komen. De rechtbank komt wel, net als de officier van justitie, tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat de geweldshandelingen die [verdachte] heeft gepleegd, hebben geleid tot het letsel bij de aangever. Daarom zal de rechtbank [verdachte] daarvan partieel vrijspreken.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
16.092995.253
op 20 oktober 2025 te Harderwijk, op het Stationsplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 2] en [aangever 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit: het omsingelen van die [aangever 2] , het tonen van een of meer messen, aan die [aangever 2] en die [aangever 3] , het vastpakken van die [aangever 2] , en het slaan tegen het gezicht van die [aangever 3]
16.035488.25op 2 februari 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een jas die aan [aangever 5] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
05.053466.25op 18 oktober 2024 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meerdere broeken, die aan [aangever 6] B.V toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
18.379136.24op 2 november 2024 te Groningen, een flesje parfum (merk: Hugo Boss), dat aan [aangever 7] (vestiging [vestiging] ), toebehoorde heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
16.228409.251
op 24 maart 2025 te Utrecht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een gaspistool, van het merk Glock, type 17 Gen 5, kaliber 9mm PAK zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool heeft gedragen;
2
op 24 maart 2025 te Utrecht munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten 7, scherpe knalpatronen van het kaliber 9mm PAK voorhanden heeft gehad;
15.047893.25op 13 februari 2025 te Zaandam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, parfumflesjes, die aan de [aangever 8] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09.351335.25op 27 december 2025 te Gouda [aangever 4] heeft mishandeld, door op het oog van die [aangever 4] te slaan.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16.092995.25, feit 3:openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
16.035488.25, 05.053466.25, 15.047893.2:diefstal door twee of meer verenigde personen;
18.379136.24:diefstal;
16.228409.25, feit 1:handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie;
16.228409.25, feit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie;
09.351335.25: mishandeling.
5.2.
Strafbaarheid feiten en strafbaarheid [verdachte]
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

6.Straf

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 109 dagen (met aftrek van het voorarrest) waarvan een gedeelte van 15 dagen voorwaardelijk, een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals die zijn opgelegd bij de schorsingsbeslissing van 6 november 2025.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit om de duur van de eventueel op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie te beperken tot de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht en daarnaast ook bij een eventuele taakstraf het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk te stellen aan het voorarrest. De advocaat kan zich vinden in het opleggen van bijzondere voorwaarden (gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel) zodat [verdachte] de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Tenslotte heeft de advocaat benadrukt dat de feiten in verminderde mate aan [verdachte] kunnen worden toegerekend, dat [verdachte] al 7 maanden een enkelband heeft gehad en dat hij zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis al geruime tijd aan strenge (en ook vrijheidsbeperkende) schorsingsvoorwaarden heeft moeten houden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Geen aanvullend psychiatrisch onderzoek
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft zich onthouden van strafadvies, omdat niet duidelijk is wat [verdachte] nodig heeft om niet meer te recidiveren en om zich weer positief te kunnen ontwikkelen. Daarom adviseert de Raad om een aanvullend persoonlijkheidsonderzoek te laten verrichten.
Mevrouw [B] heeft namens de Raad tijdens de zitting aangegeven dat zij achter het rapport blijft staan en bevestigd dat de Raad zich van strafadvies onthoudt. Mevrouw [A] (Jeugdreclassering) heeft tijdens de zitting gezegd dat [verdachte] - als hij binnen een paar weken vrij zou komen - terug zou kunnen naar [instelling] , de plek waar hij verbleef tot de schorsing van de voorlopige hechtenis werd opgeheven.
De rechtbank ziet geen noodzaak om aanvullend persoonlijkheidsonderzoek door een psychiater te laten doen. Een aanvullend onderzoek is nodig als een PIJ-maatregel (plaatsing in een inrichting voor jeugdigen) wordt overwogen, want daarvoor is het advies van twee gedragskundigen (dus niet alleen van een psycholoog) vereist. Maar de rechtbank vindt dat de strafbare feiten die bewezen zijn niet zwaar genoeg wegen om nader onderzoek te laten doen om eventueel een PIJ-maatregel op te leggen. Verder bevatten de rapportages die al zijn geschreven genoeg informatie om een beslissing te kunnen nemen over de afdoening van deze strafzaak. Bovendien is het goed voor [verdachte] dat de strafzaak wordt afgerond. Daarom heeft de rechtbank ervoor gekozen om de zaak zonder nader onderzoek af te doen.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich in ruim een jaar tijd schuldig gemaakt aan een hele reeks strafbare feiten. Daarbij gaat het om erg vervelende en overlastgevende feiten (de winkeldiefstallen), maar ook om gewelddadige en gevaarlijke feiten (openlijke geweldpleging, het voorhanden hebben van een vuurwapen en mishandeling). De rechtbank vindt het zorgelijk om te zien dat [verdachte] geweld niet schuwt. Ook is het zorgwekkend dat hij, ondanks alle inspanningen van de mensen om hem heen, steeds opnieuw met politie en justitie in aanraking komt en strafbare feiten blijft plegen.
Strafblad
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van [verdachte] van 29 december 2025. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een overtreding van de Wet Wapens en Munitie, maar dat er geen sprake is van recidive op het gebied van gewelds - en vermogensdelicten.
Persoonlijke omstandigheden
Over [verdachte] zijn meerdere rapportages opgemaakt, waaronder een Pro Justitia Rapportage van 14 juli 2025, opgemaakt door drs. A. de Lima-Heijns (GZ-psycholoog) en een rapportage van de Raad van 14 januari 2026, opgemaakt door drs. A. Vermaas (raadsonderzoeker).
In de Pro Justitia Rapportage komt naar voren dat [verdachte] een jongen is met een belaste voorgeschiedenis. [verdachte] is gevlucht uit Libanon, gebruikt verdovende middelen om zijn oorlogstrauma’s te onderdrukken en gaat gebukt onder de verwachtingen (geld sturen en gezinshereniging) van zijn ouders die nog in Libanon zijn. Daarnaast is er bij [verdachte] sprake van een gebrekkige ontwikkeling (zwakbegaafdheid), een persisterende aanpassingsstoornis en een gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling (inhoudende een bedreigde persoonsontwikkeling in antisociale richting en beperkte pro-sociale emoties die het gevolg kunnen zijn van empathische afvlakking door chronische blootstelling aan geweld en gevaar). Dit alles vertaalt zich in een hang naar luxegoederen, antisociaal gedrag, vermijdende coping en gebrekkige oplossingsvaardigheden. [verdachte] vindt het lastig om situaties vooraf goed in te schatten en is kwetsbaar voor negatieve beïnvloeding, wat ook nog versterkt wordt door zijn functioneel analfabetisme en de taalbarrière. Deze combinatie van stoornissen en tekorten heeft volgens de Pro Justitia psycholoog doorgewerkt in het plegen van de tenlastegelegde feiten, waardoor wordt geadviseerd om deze feiten (indien bewezen) in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen.
De Raad ziet op alle leefgebieden zorgen: [verdachte] laat grensoverschrijdend gedrag zien, gaat niet naar school, omringt zich met antisociale contacten, gebruikt drugs, heeft geen adequate vrijetijdsbesteding en vele vaardigheidstekorten. Daarnaast komt de noodzakelijke (trauma)behandeling niet van de grond en blijft [verdachte] , ondanks het strakke en intensieve kader van ITB Harde Kern (met elektronische monitoring) recidiveren. De Raad concludeert dat het (ambulante) kader dat tot op heden geboden is, ontoereikend blijkt te zijn.
Strafoplegging
Gelet op bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] enerzijds een straf verdient om de consequenties van zijn handelen te voelen, maar anderzijds vooral ook hulp en begeleiding nodig heeft om ervoor te zorgen dat hij niet afglijdt.
De rechtbank zal daarom, alles afwegend, een jeugddetentie van 2 maanden (met aftrek van het voorarrest) opleggen. Deze straf is korter dan de 90 dagen die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waardoor hij niet terug de jeugdgevangenis in hoeft. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 120 uur (te vervangen door 60 dagen jeugddetentie), met aftrek van het restant van het voorarrest dat overblijft na de aftrek van de 2 maanden jeugddetentie, waarvan een gedeelte van 40 uur (te vervangen door 20 dagen jeugddetentie) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dat betekent dat van de onvoorwaardelijke werkstraf van 120 uren [verdachte] nog 20 uren (80-60) zal moeten uitvoeren en 40 uren als voorwaardelijk deel blijven staan. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van deze straf een aantal bijzondere voorwaarden verbinden en daarbij grotendeels aansluiting zoeken bij de schorsingsvoorwaarden zoals die zijn opgelegd bij de beslissing van 6 november 2025. Deze voorwaarden zijn gespecificeerd in het dictum van dit vonnis.
Voorlopige hechtenis
Om te voorkomen dat [verdachte] langer vastzit dan nodig, heeft de rechtbank reeds in een afzonderlijke schorsingsbeslissing de voorlopige hechtenis met ingang van 16 februari 2026 om 09.00 uur onder een aantal voorwaarden geschorst. De rechtbank zal het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen op het moment dat de uitspraak in deze strafzaak onherroepelijk is.

7.Vordering benadeelde partij

7.1
Vordering van de benadeelde partij
Er is door de benadeelde partij [aangever 1] een verzoek tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van 5000,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij stelt deze schade te hebben geleden ten gevolge van de diefstal met geweld (16.092995.25, feit 1).
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart moet worden in zijn vordering omdat de gevorderde schade niet is onderbouwd.
7.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt primair dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering vanwege de bepleite vrijspraak voor het aan de vordering ten grondslag liggende feit en subsidiair om de vordering af te wijzen nu deze onvoldoende is onderbouwd.
7.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van het ten laste gelegde feit waarop het verzoek tot schadevergoeding is gebaseerd (de diefstal met geweld). In dat geval kan de strafrechter volgens de wet geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 27, 54 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart feit 1 en feit 2 (16.092995.25) niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] feit 3 (16.092995.25) heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
  • verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten die ten laste gelegd zijn onder 16.035488.25, 05.053466.25, 18.379136.24, 16.228409.25, 15.047893.25 en 09.351335.25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Strafbaarheid
  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
  • verklaart [verdachte] strafbaar voor het in paragraaf 4.4 bewezenverklaarde;
Strafoplegging
  • veroordeelt [verdachte] tot een
  • bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt [verdachte] tot een
  • bepaalt dat van de werkstraf een
  • bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren taakstraf per dag;
  • stelt daarbij een
  • als
  • stelt als
  • zich in het kader van ITB Harde Kern zal houden aan de aanwijzingen van de William Schrikker Stichting, locatie Utrecht/Amsterdam, zolang de (jeugd)reclassering dat nodig vindt;
  • zal meewerken aan de door de (jeugd)reclassering bepaalde benodigde hulpverlening en ondersteuning;
  • zich zal houden aan een locatiegebod op het adres [adres 2] te [plaats 2] ( [instelling] ) en zal meewerken aan controle op deze voorwaarde door middel van elektronisch toezicht (voor de duur van 3 maanden of zoveel korter als de (jeugd)reclassering nodig vindt);
  • zal meewerken aan een avondklok, inhoudende dat hij zich dagelijks tussen 19:00 uur en 07:00 uur zal bevinden in de woning op de [adres 2] , [postcode 2] te [plaats 2] , of anders door de (jeugd)reclassering te bepalen en zo lang de (jeugd)reclassering dit nodig vindt;
  • zal verblijven bij [adres 2] , [postcode 2] te [plaats 2] , of een soortgelijke instelling, te bepalen door de (jeugd)reclassering;
  • zich zal houden aan de (huis)regels van de woonvoorziening/behandelinstelling [instelling] te Amsterdam (of soortgelijke instelling), in afstemming met de (jeugd)reclassering en andere betrokken hulpverlening;
  • meewerkt aan het vinden van een school, naar school gaat volgens het lesrooster en zich houdt aan de gemaakte afspraken;
  • inzicht geeft in zijn middelengebruik en zal meewerken aan de door de (jeugd)reclassering passend gevonden interventies die hierop ingezet kunnen worden;
  • meewerkt aan en zich zal inspannen voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle vrijetijdsbesteding;
  • meewerkt aan en zich zal inspannen voor het vinden van en behouden van een zinvolle bijbaan;
- waarbij aan de jeugdreclasseringsinstelling William Schrikker Stichting, locatie Utrecht/Amsterdam, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden. De minderjarige is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan (jeugd)reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever 1] (16.092995.25, feit 1)
  • verklaart [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op wanneer de strafzaak onherroepelijk is en de bijzondere voorwaarden dus zijn gaan gelden.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. H.A. Gerritse en mr. C. van Wambeke, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: de tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
16.092995.251
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van 600 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [aangever 1] een (schouder)duw te geven en/of het geldbedrag uit de hand van die [aangever 1] te pakken/grissen;
2
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Harderwijk, op/aan het Stationsplein, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 2] en/of [aangever 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit: het omsingelen van die [aangever 2] , het tonen van een of meer messen, althans scherpe en/of puntige voorwerpen, aan die [aangever 2] en/of die [aangever 3] , het vastpakken van die [aangever 2] , het steken/snijden met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been van die [aangever 2] , het met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, uit te halen richting die [aangever 3] , en/of het slaan tegen het gezicht, althans lichaam, van die [aangever 3] , terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had;
16.035488.25hij op of omstreeks 2 februari 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas en/of een bodywarmer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
05.053466.25hij op of omstreeks 18 oktober 2024 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere broeken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 6] B.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
18.379136.24hij op of omstreeks 2 november 2024 te Groningen, althans in Nederland, een flesje parfum (merk: Hugo Boss), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 7] (vestiging [vestiging] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
16.228409.251
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te Utrecht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een gaspistool, van het merk Glock, type 17 Gen 5, kaliber 9mm PAK zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool heeft gedragen;
2
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te Utrecht munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten 7, scherpe knalpatronen van het kaliber 9mm PAK voorhanden heeft gehad;
15.047893.25hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, parfumflesjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [aangever 8] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09.351335.25hij op of omstreeks 27 december 2025 te Gouda [aangever 4] heeft mishandeld, door op het oog, althans in het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van die [aangever 4] te slaan en/of stompen.
Bijlage II: bewijsmiddelen [7]
Bewijsmiddelen openlijke geweldpleging (16.092995.25, feit 3)
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 6 februari 2026:
Op 20 oktober 2025 was ik tijdens het gevecht op het station in Harderwijk.
Proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] d.d. 20 oktober 2025 (p. 12 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:Op 20 oktober 2025 omstreeks 19.40 uur was ik op station Harderwijk. Hier werd ik gestoken met een mes door [verdachte] . Een aantal van de jongens viel mij gelijk aan. Ik zag dat [F] , [verdachte] en [verdachte] een mes in hun hand hadden. [8] [verdachte] pakte mij vast en zei dat ik niet bang moest zijn. Ik voelde kort hierna een korte, scherpe steek in mijn linkerbovenbeen ter hoogte van mijn heup. Ik zag dat [verdachte] het mes in zijn rechterhand hield. Ik zag dat zijn arm voor mijn buik langs ging. Ik voelde dat er iets scherps mijn been in ging. De andere jongens vielen [aangever 3] aan. Ik voelde pijn in mijn linkerbovenbeen. Ik keek op mijn linkerbeen en zag hier een gaatje van ongeveer twee centimeter. Ik zag dat het bloedde. [9]
Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 3] d.d. 20 oktober 2025 (p. 15 e.v.),
voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:Ik was op het station. [10] Vervolgens begonnen die jongens ons te steken. Ze staken [aangever 2] in zijn been. Ik zag dat [aangever 2] werd omsingeld. Zij hebben ook geprobeerd mij neer te steken.
V: Heb je het mes gezien?
A: Ja het was ongeveer 12 centimeter lang.
V: Wat gebeurde er daarna?
A: Ik heb heel veel klappen op mijn gezicht gekregen. [11]
Bewijsmiddelen mishandeling (09.351335.
25)
Proces-verbaal van aangifte door [aangever 9] d.d. 27 december 2025 (p. 5 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:Op 27 december 2025 stond mijn ex-vriend (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) voor de deur. [12] Mijn vriend (de rechtbank begrijpt: aangever en getuige) kwam toen de andere kamer uit. Toen zag ik dat [verdachte] met zijn vuist mijn vriend sloeg in het gezicht. [13]
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 27 december 2025 (p. 11 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:Op 27 december 2025 omstreeks 16.00 uur was ik mijn kamer. Ik zag dat de jongen (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) meerdere keren hard in de richting van de andere jongen sloeg. Ik zag dat meerdere klappen op het gezicht van de jongen kwamen. De jongen uit mijn kamer had ook een paar klappen gegeven maar niet heel veel, hij probeerde de andere jongen vooral tegen te houden. [14]
Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 4] d.d. 27 december 2025 (p. 13 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:Op 27 december 2025 omstreeks 16.00 uur was ik bij mijn vriendin in Gouda. Toen ik de deur opendeed zag ik een jongen staan die ik herkende als [verdachte] . Direct nadat ik de deur opendeed begon [verdachte] op mij in te slaan. Ik zag dat zijn rechtervuist met een harde snelheid richting mijn linkeroog ging. Hierna voelde ik een harde stekende pijn op mijn oog. [15] Hierna zag en voelde ik dat [verdachte] mij nog een klap met zijn vuist op mijn linkeroog gaf. [16]

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit de dossiers van politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025034804, pagina 1-49 (dossier I), PL0600-2024490784, pagina 1-48 (dossier II), PL0100-2024301278, pagina 1-19 (dossier III), PL0900-2025093765, pagina 1-79 (dossier IV) en PL1100-2025032440, pagina 1-66 (dossier V). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.p. 5-7 (dossier I).
3.p. 24-31 (dossier II).
4.p. 10-11 (dossier III).
5.p. 40-43 (dossier IV).
6.p. 5-6 (dossier V).
7.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit dossiers van politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025095255, pagina 1-83 (dossier I) en PL1500-2025437826, pagina 1-46 (dossier II). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
8.p. 12 (dossier I).
9.p. 13 (dossier I).
10.p. 15 (dossier I).
11.p. 16 (dossier I).
12.p. 5 (dossier II)
13.p. 6 (dossier II).
14.p. 11 (dossier II).
15.p. 13 (dossier II).
16.p. 14 (dossier II).