Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:908

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/6160
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Inburgering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen stopzetting lesgeld inburgering niet-ontvankelijk verklaard

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 11 maart 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek betrof de stopzetting van het lesgeld en de kosten voor het afleggen van een inburgeringsexamen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was.

De kern van de beoordeling lag bij het connexiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit vereiste houdt in dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen inhoudelijk kan worden behandeld indien het is verbonden aan een besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld. In deze zaak bleek dat verzoeker geen bezwaar had ingediend tegen het bericht van stopzetting bij de gemeente of DUO, noch had gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een bezwaarschrift te overleggen.

Omdat er geen bezwaar- of beroepsprocedure aan het verzoek ten grondslag lag, was het verzoek niet connex en derhalve niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter heeft het verzoek daarom niet inhoudelijk behandeld en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen stopzetting lesgeld inburgering is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6160

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de staatssecretaris van Participatie en Integratie

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de stopzetting van het lesgeld en kosten voor het afleggen van een inburgeringsexamen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of een beroep tegen (het niet tijdig beslissen op) een besluit, voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek is gericht tegen de stopzetting van het lesgeld en kosten voor het afleggen van een inburgeringsexamen [1] . Niet is niet gebleken dat verzoeker tegen dit bericht een bezwaarschrift heeft ingediend bij de gemeente van zijn woonplaats en/of bij DUO. Verzoeker heeft ook niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een bezwaarschrift over te leggen. Evenmin is gebleken dat het verzoek ziet op een beroep inzake het niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat het verzoek niet connex is aan een besluit en/of een bezwaar- of beroepsprocedure zodat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van de Wet Inburgering.