ECLI:NL:RBMNE:2026:914

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
605454 KG ZA 26-16
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:29 BWArt. 3:28 BWArt. 502 lid 4 RvArt. 24 lid 5 EEX-Vo 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waardeloosverklaring executoriaal beslag op woning wegens ontbonden beslaglegger

In deze zaak vordert de bewindvoerder waardeloosverklaring van een executoriaal beslag dat in 2009 is gelegd op de woning van zijn onderbewindgestelde. De beslaglegger, een rechtspersoon naar buitenlands recht, is inmiddels ontbonden en er is geen rechtsopvolger bekend die de vordering heeft overgenomen.

De rechtbank oordeelt dat de bewindvoerder ontvankelijk is ondanks dat de beslaglegger is ontbonden, omdat anders waardeloosverklaring praktisch onmogelijk zou zijn. Uit onderzoek blijkt dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd niet meer bestaat en niet is overgedragen aan een rechtsopvolger. De beslagleggende deurwaarder kon slechts één mogelijke rechtsopvolger aanwijzen, die echter ontkent rechthebbende te zijn.

De rechtbank verklaart het beslag waardeloos en machtigt de bewaarder van het register tot doorhaling van de inschrijving na kracht van gewijsde. De vordering dat het vonnis direct in kracht van gewijsde gaat, wordt afgewezen om een eventuele rechtsopvolger de mogelijkheid te geven verzet in te stellen. De bewindvoerder draagt zijn eigen proceskosten omdat geen wederpartij aanwezig is om deze te verhalen.

Uitkomst: Het executoriaal beslag op de woning wordt waardeloos verklaard en kan worden doorgehaald na kracht van gewijsde.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605454 / KG ZA 26-16
Vonnis in kort geding van 16 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van de heer [onderbewindgestelde] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder en haar onderbewindgestelde, de heer [onderbewindgestelde] ,
advocaat: mr. P.M. Jongeling te Amsterdam,
tegen
de ontbonden rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagde] LIMITED,
te [plaats 2] (Ierland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 27 januari 2026 met productie 1 tot en met 12.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling van 5 februari 2026 is namens de bewindvoerder mr. Jongeling verschenen. Namens [gedaagde] dan wel haar eventuele rechtsopvolgers is niemand verschenen. Daarnaast is één andere persoon als belangstellende aanwezig geweest, naar eigen zeggen een bekende van de kopers van de beslagen woning.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat bij de dagvaarding de wettelijk voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen. Tegen [gedaagde] is dan ook verstek verleend. De bewindvoerder mocht [gedaagde] dagvaarden op het adres van de deurwaarder die destijds het beslag heeft gelegd. [gedaagde] was bij de beslaglegging op grond van artikel 502 lid 4 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verplicht op dat adres woonplaats te kiezen tot aan het einde van de executie en heeft dat ook gedaan. Door [gedaagde] op dat adres te dagvaarden zijn haar eventuele rechtsopvolgers eveneens gedagvaard. [1] Het tegen [gedaagde] verleende verstek geldt dan ook eveneens voor haar eventuele rechtsopvolgers.
1.4.
Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat op 19 februari 2026 vonnis wordt gewezen of zoveel eerder als mogelijk is.

2.De kern van de zaak

2.1.
De bewindvoerder vordert in dit kort geding waardeloosverklaring (als bedoeld in artikel 3:29 BW Pro) van de inschrijving van een executoriaal beslag dat op 22 juni 2009 is gelegd op de koopwoning van [onderbewindgestelde] [2] (hierna: de woning) in opdracht van [gedaagde] (dit beslag hierna: het beslag). Daarnaast vordert de bewindvoerder dat de voorzieningenrechter bepaalt dat het vonnis direct in kracht van gewijsde gaat. De voorzieningenrechter wijst de eerste vordering toe en de tweede af. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.

3.De verdere achtergrond van het geschil

3.1.
De woning is in november 2025 verkocht aan derden voor € 475.000 en had uiterlijk 19 januari 2026 moeten zijn geleverd. Bij het voorbereiden van die levering is echter uit de openbare registers gebleken dat het beslag nog op de woning ligt. Volgens de bewindvoerder was [onderbewindgestelde] niet of niet meer met het beslag bekend en was het voor de bewindvoerder zelf ook nieuw. De vordering en het beslag zijn ook niet aan het licht gekomen bij de (kennelijk gebruikelijke) uitvraag door de bewindvoerder bij alle Nederlandse deurwaarders, bij aanvang van het beschermingsbewind in november 2017.
3.2.
Het beslagexploot van 22 juni 2009 vermeldt onder meer:
- dat de executoriale titel op grond waarvan het beslag is gelegd een vonnis van 4 februari 2009 is, gewezen in een procedure tussen [gedaagde] als eiser en [onderbewindgestelde] als gedaagde; [3]
  • dat [onderbewindgestelde] ten tijde van de beslaglegging op grond van het vonnis € 14.255,95 verschuldigd was, onverminderd de nog te vervallen rente en kosten;
  • dat de toegewezen vordering is voortgekomen uit een overeenkomst die [onderbewindgestelde] aanvankelijk is aangegaan met Legio Lease B.V.; en
  • dat Legio Lease B.V. de vordering op enig moment heeft overgedragen aan Bank Labouchere Nederland N.V., die de vordering vervolgens heeft overgedragen aan Dexia Bank Nederland N.V. en die weer aan [gedaagde] .
3.3.
De bewindvoerder heeft navraag gedaan bij de deurwaarder die het beslag destijds heeft gelegd. Die heeft de bewindvoerder laten weten dat hij geen dossier meer had van het beslag, dat [gedaagde] in 2019 of 2020 is ontbonden, dat de debiteurenportefeuille van [gedaagde] is overgenomen door het in [plaats 3] gevestigde bedrijf [onderneming] en dat [onderneming] dus waarschijnlijk ook rechthebbende van die vordering is.
3.4.
De bewindvoerder heeft vervolgens contact met [onderneming] opgenomen, die de bewindvoerder heeft laten weten dat zij weliswaar vorderingen heeft overgenomen van [gedaagde] , maar dat zij niet bekend is met de vordering op [onderbewindgestelde] en dus ook geen rechthebbende van die vordering is.

4.De beoordeling

Formele aspecten: rechtsmacht, spoedeisend belang, ontvankelijkheid
4.1.
Omdat [gedaagde] een rechtspersoon naar Iers recht is of is geweest, dient de voorzieningenrechter eerst de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is. Dat is het geval. De zaak gaat over de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing in Nederland, zodat de Nederlandse rechter exclusief bevoegd is op grond van het vijfde lid van artikel 24 van Pro de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012).
4.2.
Het is voldoende aannemelijk dat de bewindvoerder voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen. Zoals onder 3.1 al vermeld had de woning uiterlijk 19 januari 2026 moeten zijn geleverd, maar kon dat niet omdat eerst de inschrijving van het beslag waardeloos moet worden verklaard en die inschrijving vervolgens moet worden doorgehaald.
4.3.
De bewindvoerder heeft een rechtspersoon gedagvaard die is ontbonden. Dat kan eigenlijk niet. Wie een ontbonden rechtspersoon dagvaardt, wordt normaal gesproken niet-ontvankelijk verklaard. Dat zou het wel heel moeilijk maken een rechterlijke waardeloosverklaring te verkrijgen als de beslaglegger is ontbonden. Daarom zal de voorzieningenrechter in navolging van de door de bewindvoerder aangehaalde rechtspraak over waardeloosverklaring van hypotheekrechten [4] bepalen dat de bewindvoerder wel ontvankelijk is.
Voldoende kans op toewijzing in een eventuele bodemprocedure
4.4.
Inhoudelijk moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
De wettelijke regeling omtrent waardeloosverklaring
4.5.
Artikel 3:28 BW Pro lid 1 bepaalt dat als een inschrijving van een beslag waardeloos is geworden, de beslaglegger (of haar eventuele rechtsopvolger) verplicht is om aan de rechthebbende op het bezwaarde goed, een schriftelijke verklaring van die waardeloosheid af te geven. Artikel 3:29 BW Pro lid 1 bepaalt vervolgens:

Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan verklaart de rechtbank de inschrijving waardeloos op vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Wordt ter verkrijging van dit bevel iemand die in de registers staat ingeschreven, dan worden daarmee tevens gedagvaard al zijn rechtsverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen.
4.6.
[gedaagde] kan zelf geen verklaring van waardeloosheid meer afgeven, omdat zij is ontbonden. Daarom heeft de bewindvoerder heeft zich dan ook tot de voorzieningenrechter gewend. De bewindvoerder handelt namens [onderbewindgestelde] , die eigenaar is van de beslagen woning en is dus onmiddellijk belanghebbende.
Voldoende aannemelijk dat de inschrijving van het beslag waardeloos is
4.7.
Het is aan de bewindvoerder om aan te tonen dat de inschrijving van het beslag waardeloos is. Met waardeloos wordt dan bedoeld: rechtens zonder enig belang, bijvoorbeeld omdat dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd is voldaan of al lang geleden is verjaard. De bewindvoerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat het beslag waardeloos is, omdat de onderliggende vordering niet meer bestaat, althans niet meer geldend kan worden gemaakt jegens [onderbewindgestelde] . Daarbij is het volgende van belang:
  • de bewindvoerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat [gedaagde] sinds 2020 niet meer bestaat;
  • uit de door hem overgelegde bescheiden van de Ierse Kamer van Koophandel volgt die ontbinding eveneens en ook volgt daaruit dat die ontbinding tot stand is gekomen na de voltooide vereffening van de onderneming van [gedaagde] ;
  • de beslagleggende deurwaarder heeft verklaard dat de vorderingenportefeuille van [gedaagde] is overgenomen door het bedrijf [onderneming] , maar dat is onjuist gebleken omdat dat bedrijf dat heeft ontkend;
  • er is geen (andere) rechtsopvolger van [gedaagde] bekend ten aanzien van de onderliggende vordering op [onderbewindgestelde] , laat staan dat die een nieuwe inschrijving heeft genomen als bedoeld in artikel 3:29, lid 1 BW;
  • een dergelijke rechtsopvolger heeft zich ook niet in dit geding gemeld, terwijl die eventuele rechtsopvolger zich op de voet van het in geding zijnde beslagexploot heeft kunnen realiseren dat een gerechtelijke procedure tussen hem en [onderbewindgestelde] omtrent het beslag (zoals hier: op grond van de artikelen 3:28 en 3:29 BW) kon worden gestart door de in geding zijnde dagvaarding van [gedaagde] , ten kantore van de beslagleggende deurwaarder;
  • ook heeft die eventuele rechtsopvolger zich kunnen realiseren dat overigens voor het geldend maken van diens rechten jegens [onderbewindgestelde] of het behoud ervan de beslagleggende deurwaarder een belangrijke tussenschakel was of kon zijn, maar er is klaarblijkelijk op geen enkele wijze door de eventuele rechtsopvolger met die deurwaarder (ten dienste van haar crediteurenpositie) contact gelegd en die deurwaarder is kennelijk ook niet uit eigen initiatief op feiten of omstandigheden gestuit waaruit kan worden afgeleid dat de vordering toch door [gedaagde] aan een derde is overgedragen;
  • [onderbewindgestelde] is na 2009 nimmer op het bestaan van de vordering gewezen, ook omdat aan het beslag van meet af aan geen verdere uitvoering is gegeven;
  • sinds de ontbinding van [gedaagde] (en de eventuele overdracht) zijn inmiddels circa zes jaren verstreken;
  • de navraag door de bewindvoerder bij alle Nederlandse deurwaarders, bij aanvang van het beschermingsbewind in november 2017, heeft geen informatie opgeleverd die op het bestaan van een rechtsopvolger duidt.
4.8.
Op grond van dit een en ander is voldoende komen vast te staan dat de vordering van [gedaagde] op [onderbewindgestelde] ten tijde van de ontbinding van [gedaagde] niet in haar liquidatie is begrepen en daarom ook niet aan een derde is overgedragen. Dat rechtvaardigt de door de bewindvoerder voorgestane slotsom dat [gedaagde] die vordering bij gelegenheid van haar vereffening en ontbinding heeft prijsgegeven en dat daarom daarvan geen rechtsgeldige nakoming meer kan worden verlangd.
4.9.
Die vaststelling leidt tot de slotsom dat het beslag dient ter voldoening van een niet meer bestaande verplichting van [onderbewindgestelde] . Daarom is aan het beslag de grond ontvallen en moet de inschrijving ervan waardeloos worden verklaard. Dit vonnis kan worden ingeschreven in de openbare registers. De bewaarder daarvan wordt gemachtigd om de inschrijving, nadat dit vonnis kracht van gewijsde zal hebben verkregen, in die registers door te halen.
4.1
De bewindvoerder heeft nog gevorderd dat in het dictum wordt bepaald dat dit vonnis direct kracht van gewijsde heeft. Uitgaande van de vaststelling dat [gedaagde] niet meer bestaat en dat van een derde die haar vordering op [onderbewindgestelde] heeft overgenomen niet is gebleken (zodat het er voor moet worden gehouden dat die derde niet bestaat), zou die vordering in beginsel voor toewijzing in aanmerking komen. De enige partij die een rechtsmiddel tegen dit vonnis kan instellen is bij die stand van zaken immers de bewindvoerder en die heeft gesteld dat (bij toewijzing van zijn vordering) niet te zullen doen. Toch zal de voorzieningenrechter die deelvordering afwijzen. Daartoe is redengevend dat het niet-bestaan van een rechtsopvolgende crediteur in dit geding wordt aangenomen op grond van in dit geding gestelde en aannemelijk geoordeelde feiten en omstandigheden. Zo er toch een rechtsopvolgende crediteur bestaat, heeft die weliswaar de gang van zaken in dit geding en de uitkomst daarvan in eerste aanleg tegen zich te laten gelden, maar het gaat te ver om daaraan direct de consequentie van het kracht van gewijsde te koppelen. Aan een eventuele rechtsopvolgende crediteur komt (zie artikel 3:29 lid 3 BW Pro) in casu het rechtsmiddel verzet toe, waarvan de termijn begint te lopen na betekening van het vonnis op het adres van de deurwaarder die het beslag gelegd heeft, zijnde de deurwaarder op wiens adres ook de inleidende dagvaarding is uitgebracht. Uit dat artikel volgt dat die termijn ook gaat lopen als die betekening (zoals zonder meer te verwachten valt) niet in persoon aan de ingeschreven verweerder ( [gedaagde] ) zal plaatsvinden. De tijd die nog gemoeid is met het verstrijken van de verzettermijn is daarom voor de bewindvoerder te overzien, ervan uitgaande dat die termijn ongebruikt verstrijkt. Meldt zich echter toch een (beweerdelijk) rechtsopvolgende crediteur (als insteller van verzet), dan is gerechtvaardigd dat die derde de procedurele kans krijgt om zich in dit geding op diens hoedanigheid te beroepen, als verweer tegen de vordering. De bewindvoerder heeft immers geen of onvoldoende grond aangevoerd voor de slotsom dat als er toch een rechtsopvolgende crediteur bestaat, ook die de vordering op [onderbewindgestelde] niet (meer) geldend kan maken.
Proceskostenveroordeling
4.8.
De bewindvoerder wordt in het gelijk gesteld. [gedaagde] is echter ontbonden en van een eventuele rechtsopvolger is niet gebleken. Een wederpartij op wie de bewindvoerder zijn proceskosten kan verhalen is daarom niet voorhanden. Daarom zal worden bepaald dat de bewindvoerder zijn eigen proceskosten dient te dragen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart de inschrijving in de openbare registers van het executoriale beslag dat op 22 juni 2009 is gelegd op de woning van [onderbewindgestelde] (zoals onder 2.1 omschreven) waardeloos;
5.2.
machtigt de bewaarder van het desbetreffende register tot doorhaling van die inschrijving, nadat dit vonnis kracht van gewijsde zal hebben verkregen;
5.3.
verstaat dat de bewindvoerder de eigen kosten van dit geding draagt;
5.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
4972/JO

Voetnoten

1.Artikel 3:29 BW Pro lid 1.
2.Strikt genomen is beslag gelegd op de twee percelen waarop die woning staat met de kadastrale kenmerken gemeente [gemeente] , sectie [letter] , nummer [nummeraanduiding 1] en gemeente [gemeente] , sectie [letter] , nummer [nummeraanduiding 2] , gelegen aan de [adres] , te ( [postcode] ) [plaats 4] .
3.De bewindvoerder stelt niet over dat vonnis te beschikken en er is daarvan dan ook geen afschrift overgelegd.
4.Onder meer: Rechtbank Midden-Nederland (voorzieningenrechter) 7 november 2025,