ECLI:NL:RBMNE:2026:918

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/2899
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij kinderopvangtoeslag herbeoordeling

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van 8 maart 2024. Dienst Toeslagen heeft op 3 juni 2025 alsnog een besluit genomen. Hierdoor ontbreekt het procesbelang voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat er inmiddels een inhoudelijk besluit is genomen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten, omdat beide partijen toestemming hebben gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Omdat het beroep terecht is ingesteld en het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2025 nog loopt, verwijst de rechtbank het beroep door naar Dienst Toeslagen om als bezwaar te behandelen.

De rechtbank bepaalt dat het door eiseres betaalde griffierecht wordt vergoed en dat zij in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding van €467,-, berekend op basis van een vast bedrag per proceshandeling en een factor 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak. Dienst Toeslagen wordt veroordeeld tot betaling van deze kosten. De rechtbank doet geen inhoudelijke beoordeling van het bezwaar.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en doorverwezen als bezwaar, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2899

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 8 maart 2024 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
2. Op 3 juni 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank bepaalt dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Beide partijen hebben toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. [1]
3.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep
niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

4. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
5. Dienst Toeslagen heeft op 3 juni 2025 alsnog een besluit genomen op het verzoek om integrale herbeoordeling van eiseres. Dat betekent dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beroep dat is gericht tegen het niet-tijdig beslissen. Er is immers beslist. Eiseres kan met deze procedure dus niets meer bereiken dan dat.
6. Eiseres heeft op 18 juni 2025 toegelicht dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 3 juni 2025. Een beroep tegen het niet-tijdig beslissen richt zich van rechtswege ook tegen het inhoudelijke besluit dat vervolgens is genomen. Dat volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om dit beroep van rechtswege niet zelf te behandelen maar, met gebruikmaking van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, door te verwijzen naar Dienst Toeslagen om te behandelen als bezwaar.
7. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep is echter terecht ingesteld, omdat de beslissing op bezwaar pas is verzonden na indiening van dit beroep. De rechtbank ziet daarom aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht wordt vergoed en dat eiseres in aanmerking komt voor vergoeding van de proceskosten.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Dienst Toeslagen moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep tegen het bestreden besluit van 3 juni 2025 ter behandeling als bezwaar naar Dienst Toeslagen;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.