3.3.1Vrijspraak
Poging doodslag/moord (feit 1 primair)
De rechtbank stelt vast dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit blijkt dat de verdachte (ten minste) voorwaardelijk opzet op de dood van aangever [slachtoffer] had. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Uit het dossier blijkt weliswaar dat beide verdachten samen meerdere keren zwaaiende en stekende bewegingen hebben gemaakt met een groot mes richting het slachtoffer, maar het blijft volgens de rechtbank onduidelijk op welke delen van het lichaam deze bewegingen gericht waren. De bewegende camerabeelden geven hier, ondanks de beschrijving hiervan door een verbalisant, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijkheid over. De zwaaiende/stekende bewegingen van de verdachte zijn slechts kort, snel en onvoldoende duidelijk op de camerabeelden te zien. De zwaaiende/stekende bewegingen van medeverdachte [medeverdachte] zijn in het geheel niet op camerabeelden zichtbaar. Verder ontbreekt verdiepende informatie over de aard en ernst van het letsel bij het slachtoffer, omdat geen letselrapportage van een deskundige in het dossier zit. Er is alleen een medische verklaring, waaruit enkel blijkt dat sprake is van relatief oppervlakkige snij- en steekwonden bij het slachtoffer. Hieruit kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid of, en in welke mate, het letsel dodelijk had kunnen zijn. Nu de rechtbank van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het feit zoals dit primair op de beschuldiging staat.
3.3.2Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair
De rechtbank oordeelt dat het feit zoals dit subsidiair op de beschuldiging staat, is bewezen.
De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De verklaring van de verdachte op de zitting:
Op 9 mei 2025 was ik bij de [straat] in Utrecht. Ik had twee messen in mijn tas. Ik heb met het mes gezwaaid richting [slachtoffer] . Het zou kunnen dat ik hem geraakt heb. Medeverdachte [medeverdachte] wordt [medeverdachte] genoemd.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 9 mei 2025 in Utrechtzag ik dat de twee mannen mijn richting op kwamen lopen. Ik zag dat beide mannen met een mes op mij af kwamen. Ik zag dat jongen l op mij af kwam lopen. Ik zag dat hij een snijdende beweging maakte. Ik voelde dat man 1 mij meerdere malen raakte. Ik voelde dat hij mijn hand, borst, rug, armen en ter hoogte van mijn longen raakte. Toen de mensen mij los lieten, kwam man 2 mij meerdere keren in mijn rug steken.
Het proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omschrijving: Ik zie op de camerabeelden een persoon in beeld komen. Ik herken hem als zijnde de aangehouden verdachte
[de rechtbank begrijpt: de verdachte].
Omschrijving: Ik zie op de camerabeelden dat het mes welke de verdachte vast heeft een groot lemmet heeft. Ik zie dat dit ongeveer net zo groot is als de vuist van de verdachte. Ik zie dat het slachtoffer met zijn rechterarm pakkende of slaande bewegingen maakt in de richting van de verdachte met het mes. Ik zie dat de verdachte meerdere pogingen doet het slachtoffer te raken met het mes, maar dat het slachtoffer deze kan ontwijken door bewegingen naar achteren te maken met zijn bovenlichaam.
Ik zie vervolgens op dezelfde camerabeelden een persoon aan komen lopen vanaf
de linkerzijde in beeld.[de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ]
Omschrijving: Ik zie op de camerabeelden dat de persoon een beetje nerveus heen en weer loopt en om zich heen kijkt. Ik zie dat hij constant in de richting kijkt van de locatie waar eerder het conflict plaats vond. Ik zie dat er kennelijk nog wel iets gebeurt op straat gezien er meerdere personen op straat dezelfde richting op kijken. Ik zie dat de jongen op een bepaald moment een versnelde pas in zet en richting het conflict loopt dan wel rent. Ik zie dat hij hierbij zijn rechterhand in of bij zijn zak houd. Ik zie dat hij kennelijk iets vast houd, want tijdens het rennen beweegt deze arm niet.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 10 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Toen de jongen
[de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ]de straat was overgestoken zag ik dat hij een groot mes uit zijn
linker jaszak haalde. Ik zag dat de jongen met het mes, het mes met zijn linkerhand boven zijn hoofd hield. Ik zag de jongen met het mes, van boven naar beneden steken. Ik zag dat de jongen met kracht naar beneden stak.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 11 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Diegene met het mes was serieus boos, over wie gaat dat dan?
A: Het was een vechtpartij twee tegen een. De een was het slachtoffer en die andere
allebei hadden een mes bij zich.
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat de man aan zijn rechterzijde onder zijn oksel een diepe steekwond had.
Het proces-verbaal van bevindingen van 12 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: Zo dat ziet er best heftig uit. Ik tel in totaal zes wonden op je bovenlichaam.
V: Welke steekwonden heeft [verdachte] bij jou toegebracht?
A: Die onder mijn linker oksel, op mijn rechterborst en die op mijn rug weet ik niet
want dat kon ik niet zien. Ze hadden allebei een mes bij zich. Ook die [medeverdachte]
[de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ].
3.3.3Bewijsoverwegingen
Medeplegen en opzet op zwaar lichamelijk letsel
De advocaat van de verdachte voert aan dat geen sprake is van medeplegen, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op de samenwerking en ook niet dat hij het opzet heeft gehad op het doden van, of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan, het slachtoffer. De verdachte moet daarom volgens de verdediging worden vrijgesproken van dat deel van de beschuldiging. De rechtbank oordeelt anders en legt hierna uit waarom.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid van een verdachte aan een strafbaar feit als medepleger bewezen kan worden verklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de twee verdachten beiden zwaaiende en/of stekende bewegingen hebben gemaakt met een groot mes richting het (boven)lichaam van het slachtoffer. De verdachte heeft zelf verklaard zwaaiende bewegingen richting het slachtoffer te hebben gemaakt. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat de medeverdachte plotseling richting de verdachte en het slachtoffer rende en een groot mes uit zijn zak haalde, het mes boven zijn hoofd hield en met kracht een stekende beweging van boven naar beneden maakte. Bovendien blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 2] dat het ‘twee tegen een’ was, waarbij het slachtoffer degene was die werd gestoken. De rechtbank leidt hieruit af dat de handelingen van de medeverdachte gelijktijdig dan wel zeer kort na het steken en/of zwaaien met het mes door de verdachte plaatsvonden.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Er is dus sprake van medeplegen en het feit zoals dit subsidiair op de beschuldiging staat is wettig en overtuigend bewezen.
Voorbedachten rade (feit 1 subsidiair)
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ is vereist dat vast komt te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een vooraf door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank oordeelt dat er in het onderhavige geval niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Nu de officier van justitie en de verdediging tot dezelfde conclusie komen, zal de rechtbank dit niet verder motiveren.