ECLI:NL:RBMNE:2026:93

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
16/149330-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot zware mishandeling tijdens steekincident in Utrecht

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 9 mei 2025 in Utrecht betrokken was bij een steekincident. De verdachte werd beschuldigd van poging tot moord en poging tot zware mishandeling. Tijdens de zitting op 17 december 2025 werd het bewijs besproken, waarbij de officier van justitie stelde dat de verdachte samen met een medeverdachte met een mes had geprobeerd het slachtoffer, [slachtoffer], van het leven te beroven. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de poging tot moord, maar dat er wel sprake was van medeplegen van poging tot zware mishandeling. De rechtbank legde de verdachte een gevangenisstraf van 1 jaar op, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het geweld en de openbare locatie van het incident. De rechtbank wees ook een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij, [slachtoffer], voor zowel materiële als immateriële schade. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schadevergoeding, die in totaal € 4.200,- bedroeg.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/149330-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 januari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] (Marokko),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 december 2025. Het onderzoek is, met instemming van de officier van justitie en de verdediging, enkelvoudig gesloten op 14 januari 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
  • de advocaten van de verdachte: mr. L.C. Folkerts en mr. J.J.J. Zwaan (hierna: de verdediging);
  • de benadeelde partij: [slachtoffer] ;
  • de advocaten van de benadeelde partij: mr. L.M.F. Aarts en mr. T.E. Smeding, waarnemend voor mr. P.M. Breukink.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primairop 9 mei 2025 in Utrecht samen met een ander (met voorbedachten rade) heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven door snijdende/stekende bewegingen te maken richting zijn hoofd en/of zijn (boven)lichaam en te steken in zijn hand/borst/rug/armen.
subsidiairis dit ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling (met voorbedachten rade).
Meer subsidiairis dit ten laste gelegd als een bedreiging.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit zoals dit primair op de beschuldiging staat heeft gepleegd. De voorbedachten rade kan volgens de officier van justitie echter niet wettig en overtuigend worden bewezen. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om de verdachte integraal vrij te spreken van alle varianten zoals het feit op de beschuldiging staat. De verdediging voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken in paragraaf 3.3.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat aangever [slachtoffer] op 9 mei 2025 aan de Mariaplaats in Utrecht zes keer met een mes is gestoken en/of gesneden. De verwondingen bevinden zich onder andere op de borstkas, de rug en in de arm. Uit het dossier blijkt niet dat de aangever is geopereerd. Voor zover bekend zijn de wonden uitsluitend gehecht.
In deze zaak zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] beide als verdachte aangemerkt. Hun zaken zijn gelijktijdig bij de rechtbank behandeld. Niet ter discussie staat dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] (hierna: de medeverdachte) ieder met een mes in hun hand op de Mariaplaats aanwezig waren.
De medeverdachte heeft in zijn zaak verklaard met een mes te hebben gezwaaid en daar mogelijk de aangever bij te hebben geraakt.
De verdachte heeft in zijn zaak op zitting verklaard op [slachtoffer] af te zijn gerend en een mes te hebben getrokken. Hij heeft op zitting ontkend op enig moment zwaaiende en/of stekende bewegingen te hebben gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat beide verdachten geprobeerd hebben aangever [slachtoffer] van het leven te beroven. Om die reden volgt vrijspraak voor dit deel van de beschuldiging. De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk geprobeerd hebben om aangever [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zonder dat daarbij sprake was van voorbedachten rade. In dit vonnis zal de rechtbank het oordeel voor verdachte [verdachte] nader toelichten.
3.3.1
Vrijspraak
Poging doodslag/moord (feit 1 primair)
De rechtbank stelt vast dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit blijkt dat de verdachte (ten minste) voorwaardelijk opzet op de dood van aangever [slachtoffer] had. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Uit het dossier blijkt weliswaar dat beide verdachten samen meerdere keren zwaaiende en stekende bewegingen hebben gemaakt met een groot mes richting het slachtoffer, maar het blijft volgens de rechtbank onduidelijk op welke delen van het lichaam deze bewegingen gericht waren. De bewegende camerabeelden geven hier, ondanks de beschrijving hiervan door een verbalisant, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijkheid over. De zwaaiende/stekende bewegingen van de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn slechts kort, snel en onvoldoende duidelijk op de camerabeelden te zien. De zwaaiende/stekende bewegingen van de verdachte zijn in het geheel niet op camerabeelden zichtbaar. Verder ontbreekt verdiepende informatie over de aard en ernst van het letsel bij het slachtoffer, omdat geen letselrapportage van een deskundige in het dossier zit. Er is alleen een medische verklaring, waaruit enkel blijkt dat sprake is van relatief oppervlakkige snij- en steekwonden bij het slachtoffer. Hieruit kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid of, en in welke mate, het letsel dodelijk had kunnen zijn. Nu de rechtbank van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het feit zoals dit primair op de beschuldiging staat.
3.3.2
Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair
De rechtbank oordeelt dat het feit zoals dit subsidiair op de beschuldiging staat is bewezen.
De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
De verklaring van de verdachte op de zitting:
Op 9 mei 2025 was ik bij de Mariaplaats in Utrecht. Ik hoorde iemand in het Arabisch schreeuwen: ‘ze zijn aan het vechten!’. Ik ben er op af gegaan en trok een mes. Dat is ook op de camerabeelden te zien. Ik ben [regio] , zo wordt de regio genoemd waar ik vandaan kom. [2]
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 9 mei 2025 in Utrecht [3] zag ik dat de twee mannen mijn richting op kwamen lopen. Ik zag dat beide mannen met een mes op mij af kwamen. Ik zag dat jongen l op mij af kwam lopen. Ik zag dat hij een snijdende beweging maakte. Ik voelde dat man 1 mij meerdere malen raakte. Ik voelde dat hij mijn hand, borst, rug, armen en ter hoogte van mijn longen raakte. Toen de mensen mij los lieten, kwam man 2 mij meerdere keren in mijn rug steken. [4]
Het proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omschrijving: Ik zie op de camerabeelden een persoon in beeld komen. Ik herken hem als zijnde de aangehouden verdachte
[de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]]. [5]
Omschrijving: Ik zie op de camerabeelden dat het mes welke de verdachte vast heeft een groot lemmet heeft. Ik zie dat dit ongeveer net zo groot is als de vuist van de verdachte. Ik zie dat het slachtoffer met zijn rechterarm pakkende of slaande bewegingen maakt in de richting van de verdachte met het mes. Ik zie dat de verdachte meerdere pogingen doet het slachtoffer te raken met het mes, maar dat het slachtoffer deze kan ontwijken door bewegingen naar achteren te maken met zijn bovenlichaam. [6]
Ik zie vervolgens op dezelfde camerabeelden een persoon aan komen lopen vanaf
de linkerzijde in beeld. [7] [de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ]
Omschrijving: Ik zie op de camerabeelden dat de persoon een beetje nerveus heen en weer loopt en om zich heen kijkt. Ik zie dat hij constant in de richting kijkt van de locatie waar eerder het conflict plaats vond. Ik zie dat er kennelijk nog wel iets gebeurt op straat gezien er meerdere personen op straat dezelfde richting op kijken. Ik zie dat de jongen op een bepaald moment een versnelde pas in zet en richting het conflict loopt dan wel rent. Ik zie dat hij hierbij zijn rechterhand in of bij zijn zak houd. Ik zie dat hij kennelijk iets vast houd, want tijdens het rennen beweegt deze arm niet. [8]
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 10 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Toen de jongen
[de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ]de straat was overgestoken zag ik dat hij een groot mes uit zijn linker jaszak haalde. Ik zag dat de jongen met het mes, het mes met zijn linkerhand boven zijn hoofd hield. Ik zag de jongen met het mes, van boven naar beneden steken. Ik zag dat de jongen met kracht naar beneden stak. [9]
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 11 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Diegene met het mes was serieus boos, over wie gaat dat dan?
A: Het was een vechtpartij twee tegen een. De een was het slachtoffer en die andere
allebei hadden een mes bij zich. [10]
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat de man aan zijn rechterzijde onder zijn oksel een diepe steekwond had. [11]
Het proces-verbaal van bevindingen van 12 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: Zo dat ziet er best heftig uit. Ik tel in totaal zes wonden op je bovenlichaam.
V: Welke steekwonden heeft [verdachte] bij jou toegebracht?
A: Die onder mijn linker oksel, op mijn rechterborst en die op mijn rug weet ik niet
want dat kon ik niet zien. Ze hadden allebei een mes bij zich. Ook die [regio]
[de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ]. [12]
3.3.3
Bewijsoverwegingen
Medeplegen en opzet op zwaar lichamelijk letsel
De verdediging voert aan dat geen sprake is van medeplegen, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op de samenwerking en ook niet dat hij het opzet heeft gehad op het doden van, of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan, het slachtoffer. De verdachte moet daarom volgens de verdediging worden vrijgesproken van dat deel van de beschuldiging. De rechtbank oordeelt anders en legt hierna uit waarom.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid van een verdachte aan een strafbaar feit als medepleger bewezen kan worden verklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de twee verdachten beiden zwaaiende en/of stekende bewegingen hebben gemaakt met een groot mes richting het (boven)lichaam van het slachtoffer.. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat de verdachte al langere tijd richting de plek van het incident keek. De verdachte heeft verklaard dat hij hoorde dat er gevochten werd, waarna hij er op af rende en een mes trok. Dit komt overeen met de verklaring van getuige [getuige 1] . Getuige [getuige 1] verklaart dat de verdachte plotseling richting de medeverdachte en het slachtoffer rende en een groot mes uit zijn zak haalde, het mes boven zijn hoofd hield en met kracht een stekende beweging van boven naar beneden maakte. Deze bevindingen ondersteunen het verhaal van aangever [slachtoffer] , die ook heeft verklaard dat er een tweede persoon kwam die stak. Bovendien blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 2] dat het ‘twee tegen een’ was, waarbij het slachtoffer degene was die werd gestoken. De rechtbank leidt hieruit af dat de handelingen van de verdachte gelijktijdig dan wel zeer kort na het steken en/of zwaaien met het mes door de medeverdachte plaatsvonden.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Er is dus sprake van medeplegen en het feit zoals dit subsidiair op de beschuldiging staat is wettig en overtuigend bewezen.
Voorbedachten rade van de poging tot zware mishandeling (feit 1 subsidiair)
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ is vereist dat vast komt te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een vooraf door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank oordeelt dat er in het onderhavige geval niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Nu de officier van justitie en de verdediging tot dezelfde conclusie komen, zal de rechtbank dit niet verder motiveren.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 9 mei 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met meerdere messen
- meerdere snijdende en stekende bewegingen heeft gemaakt richting het bovenlichaam van die [slachtoffer] en
- die [slachtoffer] meermalen in zijn borst en rug en armen, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van poging tot zware mishandeling.
4.2
Strafbaarheid feit en verdachte
4.2.1
Beroep op putatief noodweer
De verdediging voert aan dat sprake is van putatief noodweer, omdat de verdachte bij vergissing in de veronderstelling was dat hij zijn vriend moest verdedigen tegen een aanval vanuit het slachtoffer. De verdachte heeft daarmee verschoonbaar gedwaald. Om die reden dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
4.2.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat dit verweer niet slaagt, nu uit het dossier niet blijkt dat sprake was van een noodweersituatie.
4.2.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat de medeverdachte de agressor was en een groot mes in zijn handen had. Uit het dossier blijkt niet dat de aangever op enig moment (ook) een mes had. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier waaruit blijkt dat bij de verdachte de indruk kon worden gewekt dat de medeverdachte werd aangevallen.
Het verweer slaagt niet.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van het voorarrest.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte daarnaast wordt opgelegd:
- een contactverbod met het slachtoffer als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 1 jaar, te vervangen door 1 week hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet en met een maximum van 6 maanden.
5.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging vraagt de rechtbank om bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening
te houden met de rol en het aandeel van de verdachte en het feit dat de verdachte het
slachtoffer niet heeft geraakt. Bovendien vraagt de verdediging de rechtbank om mee te
wegen dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweld.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het
gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook
weegt de rechtbank zijn persoonlijke omstandigheden mee. Dit licht de rechtbank hieronder
toe.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling door met een (groot) mes meermalen zwaaiende en stekende bewegingen te maken in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer. Hierdoor heeft het slachtoffer meerdere steek-/snijwonden opgelopen op plekken verspreid over zijn bovenlichaam, waaronder een diepe steekwond aan de rechterzijde onder zijn oksel. Deze wonden hebben voor veel pijn gezorgd bij het slachtoffer en hebben ook forse en blijvende littekens achtergelaten op zijn lichaam. De verdachten hebben geen enkel respect getoond voor het lijf van het slachtoffer.
Daarbij komt dat het letsel nog veel ernstiger had kunnen zijn, gelet op de vele zwaaiende en stekende bewegingen richting het bovenlichaam van het slachtoffer in combinatie met de grootte van de messen. Dat er geen zeer zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, is niet te danken aan het handelen van de verdachte(n), maar slechts aan een toevallige ‘gelukkigere’ afloop gelet op het risico dat zij met hun handelen hebben genomen.
Bovendien vond het steekincident plaats op klaarlichte dag in het openbaar - midden in het centrum van Utrecht - in het bijzijn van veel voorbijgangers en mensen die op het terras zaten. Hierdoor zijn veel mensen ongewild geconfronteerd met het hevige geweld tegen het slachtoffer en hebben de verdachten ook bij derden gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. De verdachten hebben met deze gedragingen bovendien bijgedragen aan in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Op de zitting heeft de verdachte verklaard eigenlijk in Italië te verblijven en dat hij, sinds hij zijn baan is kwijtgeraakt in Italië, soms naar Nederland komt om vrienden te bezoeken. Verder heeft de verdachte verklaard geen inkomen te hebben en af en toe geld van zijn vriendin te ontvangen.
Uit het strafblad van de verdachte van 7 juli 2025 blijkt dat hij niet eerder voor een geweldsfeit is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
Strafoplegging
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar. Dit oriëntatiepunt geldt voor een voltooid delict. In dit geval is een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen. Dit is aanleiding om een lagere straf op te leggen. Daar staan echter tegenover de hierboven genoemde omstandigheden over het medeplegen, de aard en omvang van het geweld en de openbare locatie waar dit alles zich heeft afgespeeld. Dit zijn strafverzwarende omstandigheden.
Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar passend en geboden is.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en daarom uitgaat van een ander vertrekpunt. De straf die wordt opgelegd brengt, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde bovendien voldoende tot uitdrukking.
Anders dan de officier van justitie heeft gevraagd, zal de rechtbank geen contactverbod met het slachtoffer in de vorm van een 38v-maatregel opleggen. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten waaruit blijkt dat oplegging van deze vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
De voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer duurt dan het voorarrest. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis daarom afwijzen.

6.Vordering benadeelde partij

6.1
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert een bedrag van € 7.700,-. Dit bedrag bestaat uit € 200,- aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade. De gevorderde materiële schadevergoeding ziet op de als gevolg van het ten laste gelegde vernielde kleding en is door de benadeelde partij geschat op € 200,-. De gevorderde immateriële schadevergoeding van € 7.500,- ziet op zowel lichamelijk als psychisch letsel.
De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling van de verdachte en zijn medeverdachte.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevraagd om de vordering ten aanzien van de immateriële schadepost volledig toe te wijzen en ten aanzien van de materiële schadepost gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Bovendien heeft de officier van justitie gevraagd om het toe te wijzen bedrag te verhogen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft ook gevraagd om een hoofdelijke veroordeling van de verdachte en zijn medeverdachte.
6.3
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert allereerst aan dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleitte vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen en de verdachte niet ontslaan van alle rechtsvervolging, dan stelt de verdediging zich ook op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De immateriële schadepost is volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd en een nadere bewijslevering levert een onevenredige belasting op van het strafproces. De materiële schadepost is ook onvoldoende onderbouwd en biedt geen basis voor de rechtbank om de hoogte van de schade te kunnen schatten.
6.4
Oordeel van de rechtbank
Met betrekking tot de materiële schade
De vordering ziet voor het materiële gedeelte op schade aan de kleding die de benadeelde droeg ten tijde van het bewezenverklaarde en is door de benadeelde partij begroot op € 200,-. De benadeelde partij heeft de hoogte van de schadepost niet onderbouwd met bijvoorbeeld een factuur.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit.
Nu de hoogte van de schadepost niet is onderbouwd, maar de rechtbank wel constateert dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de schade en het bewezenverklaarde en de schade uit het dossier blijkt, zal zij gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat de vordering zich, naar maatstaven van billijkheid, leent voor volledige toewijzing van het gevraagde bedrag, namelijk € 200,-.
Met betrekking tot de immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe als sprake is van lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij om die reden dus recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde meerdere steek-/snijwonden opgelopen. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de benadeelde partij hiervan langere tijd heeft moeten herstellen en aan zijn verwondingen forse en blijvende littekens heeft overgehouden.
Gelet op de motivering en onderbouwing van de immateriële schade en wat in vergelijkbare gevallen aan immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering zich, naar maatstaven van billijkheid, leent voor toewijzing tot een bedrag van € 4.000,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Hoofdelijkheid
Naar burgerlijk recht is de verdachte met zijn mededader voor de schade hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de verdachte samen met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor alle toegewezen schadebedragen.
De rechtbank is van oordeel dat in totaal een bedrag van
€ 200,-aan materiële schade en
€ 4.000,-aan immateriële schade voor rekening van de verdachte komt en dus voor toewijzing in aanmerking komt. In totaal wijst de rechtbank een bedrag van
€ 4.200,-toe
.
Veroordeling in de kosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Wettelijke rente
Voor zover de rechtbank de vordering toewijst, zal zij het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, namelijk 9 mei 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd. Deze maatregel houdt de verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat in, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data zoals hierboven vermeld, tot de dag van volledige betaling.
Als door de verdachte niet wordt betaald, wordt deze verplichting aangevuld met het bijbehorende aantal dagen gijzeling zoals vermeld in het dictum, waarbij toepassing van gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit subsidiair op de beschuldiging heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvan
1 jaar;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 4.200,- bestaande uit
€ 200,- aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
- verklaart voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 4.200,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 42 dagen gijzeling.
voorlopige hechtenis
- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Ourahma, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. M.M. van der Zwaag, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Utrecht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade
een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
met één of meerdere messen
- één of meerdere snijdende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt
richting het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in zijn hand en/of borst en/of
rug en/of armen, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Utrecht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met
voorbedachten rade
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met één of meerdere messen
- één of meerdere snijdende en/of stekende bewegingen hééft gemaakt
richting het hoofd en/of het (boven) lichaam van die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in zijn hand en/of borst en/of
rug en/of armen, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Utrecht, [slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware
mishandeling, door één of meerdere snijdende en/of stekende bewegingen te maken met
een mes in de richting van die [slachtoffer] .

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2025152294, doorgenummerd pagina 1 tot en met 389. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.De verklaring van de verdachte op de zitting van 17 december 2025.
3.Pagina 14.
4.Pagina 15.
5.Pagina 182.
6.Pagina 183.
7.Pagina 185.
8.Pagina 187.
9.Pagina 118.
10.Pagina 136.
11.Pagina 47.
12.Pagina 22.