Op 9 september 2024 werd verdachte aangehouden in een asielzoekerscentrum te Nunspeet. Hij werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling, bedreiging van een politieambtenaar, het dragen van een breekmes en lokaalvredebreuk. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging zware mishandeling en het dragen van een wapen, omdat het opzet en de wapenbestemming niet overtuigend konden worden bewezen.
De rechtbank achtte echter bewezen dat verdachte de politieambtenaar heeft bedreigd met woorden als 'ik ga jullie neersteken en onthoofden' en dat hij ondanks een ontzegging de opvanglocatie betrad, wat lokaalvredebreuk oplevert. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, met aftrek van 286 dagen voorarrest, waardoor hij de taakstraf niet daadwerkelijk hoeft uit te voeren.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een persoonlijkheidsstoornis en een posttraumatische stressstoornis, en het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld. Het jeugdstrafrecht werd toegepast omdat verdachte minderjarig was en de ernst van de feiten en zijn persoonlijkheid geen toepassing van het volwassenenstrafrecht rechtvaardigden.
De officier van justitie had een jeugddetentie van één maand geëist met bijzondere voorwaarden, maar de rechtbank vond een taakstraf passend gezien de lange duur van het voorarrest en de omstandigheden. De rechtbank legde geen voorwaardelijke straf of bijzondere voorwaarden op omdat verdachte niet gemotiveerd was voor behandeling.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 10 maart 2026, waarbij de strafrechtelijke kwalificaties en de strafoplegging uitvoerig werden gemotiveerd.