ECLI:NL:RBMNE:2026:932

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
16/379431-24; 16/319181-24; (gev. ttz); 16/229767-25 (gev. ttz); 16/103148-24 (vord. TUL)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag en bedreiging, veroordeeld voor medeplegen diefstal met geweld en bezit boksbeugel

De rechtbank Midden-Nederland behandelde drie zaken tegen verdachte: zaak A betrof een overval op een horecagelegenheid, zaak B een woningoverval met poging tot doodslag, bedreiging en diefstal met geweld, en zaak C het bezit van een boksbeugel.

In zaak A sprak de rechtbank verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs dat hij de feitelijke pleger was. In zaak B werd verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag en bedreiging omdat niet kon worden vastgesteld dat hij wist van het vuurwapen dat bij de overval werd gebruikt, noch dat hij voorwaardelijk opzet had. Wel werd hij veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld, waarbij hij een centrale rol speelde. Zaak C betrof het bezit van een boksbeugel, waarvan verdachte bekende.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 180 dagen op, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) van twaalf maanden opgelegd, gericht op behandeling en toezicht. De vordering van de benadeelde partij werd deels toegewezen voor materiële en immateriële schade, met een schadevergoedingsmaatregel. Ook werd een eerdere voorwaardelijke taakstraf ten uitvoer gelegd wegens schending van voorwaarden.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag en bedreiging, veroordeeld voor medeplegen diefstal met geweld en bezit boksbeugel, met een jeugddetentie van 180 dagen en een gedragsbeïnvloedende maatregel van twaalf maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/379431-24; 16/319181-24; (gev. ttz); 16/229767-25 (gev. ttz); 16/103148-24 (vord. TUL)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.De zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van
10 februari 2026. Met toestemming van de officier van justitie en de advocaat is het onderzoek ter zitting enkelvoudig gesloten op de zitting van 10 maart 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Op de zitting van 10 februari 2026 waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de advocaat van [verdachte] , mr. M.M. Helmers;
  • de officier van justitie, mr. M.M.L. Kalsbeek;
  • de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , te weten mr. J. de Vries;
  • de moeder van [verdachte] , [A] ;
  • de jeugdreclasseerder bij SAVE, [B] ,
  • de raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming, [C] .

2.De tenlasteleggingen

De officier van justitie heeft drie zaken tegen [verdachte] bij de rechtbank aangebracht. Ten behoeve van de overzichtelijkheid en leesbaarheid van dit vonnis zullen deze zaken in het vervolg ‘zaak A’, ‘zaak B’ en ‘zaak C’ worden genoemd. Hieronder wordt per zaak beknopt weergegeven waar [verdachte] van beschuldigd wordt. De volledige tekst van de beschuldigingen is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
Zaak A (16/319181-24)
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
op 3 april 2024 te Hooglanderveen geld en/of een kassalade heeft weggenomen door middel van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;
Zaak B (16/379431-24)
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
Feit 1
Primair: op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, heeft geprobeerd om
[slachtoffer 3] van het leven te beroven;
Subsidiair:medeplichtig is geweest aan deze poging tot doodslag op [slachtoffer 3] , begaan door zijn mededaders;
Feit 2
Primair:op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, [slachtoffer 3] heeft bedreigd;
Subsidiair: medeplichtig is geweest aan deze bedreiging van [slachtoffer 3] , begaan door zijn mededaders;
Feit 3
Primair:op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, een hoeveelheid vapes heeft gestolen door middel van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 3] ;
Subsidiair: medeplichtig is geweest aan deze diefstal met geweld, begaan door zijn mededaders.
Zaak C (16/229767-25)
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
op 16 mei 2024 te Amersfoort een boksbeugel in zijn bezit heeft gehad.

3.Het bewijs in zaak A (overval op [horecagelegenheid] in Hooglanderveen)

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om [verdachte] vrij te spreken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om het standpunt van de officier van justitie te volgen en [verdachte] vrij te spreken van het aan hem ten laste gelegde.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat er op 3 april 2024 in Hooglanderveen een overval op een [horecagelegenheid] heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft volgens de aangevers een vuurwapen getoond, met dat vuurwapen meermaals tegen het hoofd van de aangever geslagen en een hoeveelheid contant geld uit [horecagelegenheid] meegenomen. Enkele dagen na de overval werd [medeverdachte 1] als verdachte aangehouden. Hij heeft bekend dat hij de overval heeft gepleegd. In een latere verklaring heeft hij aangegeven dat [verdachte] ook een rol bij de overval heeft gespeeld. Op de zitting heeft [verdachte] dit ontkend.
De rechtbank constateert dat aan [verdachte] geen medeplegen of medeplichtigheid ten laste is gelegd. De tenlastelegging is zo geformuleerd dat [verdachte] de feitelijke pleger van de overval zou zijn geweest. Uit het dossier blijkt echter dat dit niet het geval is en hier is ter zitting ook geen discussie over geweest. De rechtbank is gebonden aan de tenlastelegging zoals de officier van justitie die aan de rechtbank voorlegt. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of [verdachte] mogelijk als medepleger of als medeplichtige bij de overval betrokken was. Dit betekent dat [verdachte] zal worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde.

4.Het bewijs in zaak B (overval woning [slachtoffer 3] in Leusden)

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het medeplegen van poging tot doodslag (feit 1 primair), het medeplegen van bedreiging (feit 2 primair) en het medeplegen van diefstal met geweld (feit 3 primair) wettig en overtuigend te bewijzen. Voor zover van belang worden de standpunten van de officier van justitie hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.
4.2
Het standpunt van de advocaat
De advocaat heeft vrijspraak van de poging tot doodslag (feit 1) en de bedreiging (feit 2) bepleit. Zij voert aan dat het medeplegen dan wel de medeplichtigheid niet kunnen worden bewezen, nu uit het dossier niet blijkt dat [verdachte] wetenschap van de aanwezigheid van een vuurwapen had. Ten aanzien van feit 3 primair heeft de advocaat verzocht om [verdachte] gedeeltelijk vrij te spreken, namelijk van alle onderdelen uit de beschuldiging die betrekking hebben op het vuurwapen en van het onderdeel over het schoppen van de aangever. Voor zover van belang worden de standpunten van de advocaat hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Inleidende overweging
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die op de zitting niet ter discussie hebben gestaan. Op 19 oktober 2024 heeft er in de woning van aangever [slachtoffer 3] te Leusden een woningoverval plaatsgevonden, waarbij drie mannen de woning zijn binnengekomen en een hoeveelheid vapes uit de woning van de aangever is meegenomen. [verdachte] had met deze personen afgesproken om de aangever te beroven en is samen met (een deel van) hen in dezelfde auto, bestuurd door medeverdachte [medeverdachte 2] , naar de woning van de aangever gereden. [verdachte] is als eerste uit de auto gestapt en heeft enige tijd met de aangever in zijn woning doorgebracht. Op enig moment heeft [verdachte] het doen lijken alsof hij met zijn telefoon een milkshake bestelde. Toen er even later werd aangebeld, zogenaamd door de bezorger van de milkshake, deed [verdachte] de deur open en kwamen drie personen met bivakmutsen op de woning van de aangever binnen. Één van deze personen mishandelde de aangever en een andere had een vuurwapen bij zich. De aangever is erin geslaagd om de persoon met het vuurwapen via de voordeur zijn woning uit te werken, de galerij op. Nadat de aangever de voordeur dicht en op slot had gedaan, heeft die persoon met het vuurwapen door de ruit van de voordeur geschoten. Hierna hebben [verdachte] en de drie andere mannen de woning van de aangever verlaten. Zij zijn weer in de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] gestapt en door hem van de woning weggereden. Medeverdachte [medeverdachte 3] is echter in de buurt van de woning achtergebleven en als enige van de verdachten direct na het voorval aangehouden.
4.3.2
Vrijspraak feit 1 feit 2
[verdachte] wordt verweten dat hij als medepleger of medeplichtige heeft deelgenomen aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 3] (feit 1) en/of een bedreiging met de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 3] (feit 2). Bij de beschuldigingen staat het gebruik van het vuurwapen centraal.
De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden dat [verdachte] het vuurwapen heeft meegenomen of gebruikt. Om hem toch als medepleger of medeplichtige aansprakelijk te houden voor de poging tot doodslag en bedreiging, moet er bewijs zijn dat het de bewuste bedoeling van [verdachte] was dat geprobeerd zou worden om iemand te doden of om iemand te bedreigen met de dood of zwaar lichamelijk letsel (vol opzet). De rechtbank ziet hiervoor geen bewijs.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of er bij [verdachte] sprake is geweest is van voorwaardelijk opzet. Daarvoor moet worden gekeken of er voldoende bewijs is dat hij wist dat het doden of bedreigen van [slachtoffer 3] waarschijnlijk kon gebeuren en dat hij dat risico ook bewust accepteerde. Dit kan erin gelegen zijn dat [verdachte] zich (stilzwijgend) heeft aangesloten bij het voorgenomen gebruik van het vuurwapen door een van de medeverdachten. De rechtbank is op basis van het dossier en wat op zitting is besproken, niet overtuigd dat [verdachte] dit voorwaardelijk opzet had.
Op de zitting ontkent [verdachte] dat hij wist dat er een vuurwapen meeging. Hij verklaart dat het plan weliswaar was dat de medeverdachten een taser en een ijzeren staaf zouden meenemen, maar dat hij niet wist dat er een vuurwapen zou worden meegenomen. Tijdens de rit naar de woning zou hij geen vuurwapen hebben gezien en zou er ook niet over een vuurwapen zijn gesproken. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet, althans onvoldoende wordt weersproken door het dossier. Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart, net als [verdachte] , dat hij in de auto geen vuurwapen heeft gezien en er voor zover hij weet ook niet over een vuurwapen is gesproken. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft in zijn verklaring van 20 december 2024 op dit punt afwijkend verklaard.
Volgens [medeverdachte 3] had de (onbekend gebleven) bijrijder een vuurwapen bij zich en heeft diegene in de auto gezegd dat hij de bewoner van de woning daarmee onder schot zou houden. De rechtbank kan niet vaststellen of [verdachte] op dit moment nog in de auto zat of zich al in de woning van de aangever (en dus niet meer bij de medeverdachten) bevond. Los daarvan vindt de rechtbank dit specifieke punt in de verklaringen van [medeverdachte 3] onvoldoende betrouwbaar. De reden daarvoor is dat [medeverdachte 3] sinds zijn aanhouding wisselende en deels tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wat het plan was, wat er uiteindelijk is gebeurd, wie erbij betrokken waren en wat hun aandeel is geweest. [medeverdachte 3] verklaarde aanvankelijk dat [verdachte] het vuurwapen bij zich had en de aangever daarmee heeft geslagen. Later verklaarde hij dat dit toch iemand anders was. Hij verklaarde tevens dat medeverdachte [medeverdachte 4] ook in de woning van de aangever is geweest, terwijl hij daar later weer op teruggekomen is. Gelet op de inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte 3] is de rechtbank terughoudend met het gebruik daarvan als bewijsmiddel en gebruikt zij de verklaringen alleen als die voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, anders dan de officier van justitie, dit specifieke punt in de verklaringen van [medeverdachte 3] over de aanwezigheid van het vuurwapen niet kan worden gebruikt voor het bewijs.
Buiten de verklaring van [medeverdachte 3] over de aanwezigheid van het vuurwapen bevat het dossier geen andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het meebrengen van het vuurwapen een onderdeel van het gezamenlijk plan was. De officier van justitie heeft erop gewezen dat op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 4] foto’s zijn gevonden, die enkele weken voor de overval zijn gemaakt en waarop [verdachte] in zijn schuur met een vuurwapen te zien is. De rechtbank is van oordeel dat deze foto’s niet de conclusie kunnen dragen dat [verdachte] op de dag van de woningoverval wist dat een van de medeverdachten een vuurwapen bij zich had. Deze wetenschap kan evenmin worden aangenomen op de gronden dat [verdachte] wist dat de bewoner thuis was en er een aanmerkelijke kans was dat hij zich tegen de overvallers zou verzetten. Het ligt voor de hand dat een bewoner zich zal (proberen te) verzetten wanneer er meerdere personen met bivakmutsen zijn woning binnenkomen. Dit betekent echter niet dat [verdachte] er ernstig rekening mee moest houden dat een van de medeverdachten (daarom) een vuurwapen zou meenemen, laat staan dat hij dit vuurwapen daadwerkelijk zou gebruiken.
Nu de rechtbank niet kan vaststellen of [verdachte] wist dat een van zijn medeverdachten een vuurwapen meenam naar de woning, kan in ieder geval daaruit niet worden afgeleid dat hij voorwaardelijk opzet had op de dood, op het bedreigen met de dood of op het bedreigen met zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat ook geen ander bewijs waaruit dat voorwaardelijk opzet van [verdachte] op de dood of de bedreiging van [slachtoffer 3] duidelijk wordt.
Het gevolg hiervan is dat [verdachte] zal worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde poging tot doodslag (feit 1) en bedreiging (feit 2).
4.3.3
Bewijsmiddelen feit 3 [1]
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: [adres 2] , [plaats]
Pleegdatum: 19 oktober 2024
Ik was thuis en er kwam een jongen langs die ik ken als [verdachte] . [2] Ik hoorde dat [verdachte] de voordeur opendeed en zag dat er drie personen in mijn woning waren gekomen. Ik zag dat deze personen bivakmutsen op hadden. Eén van deze personen liep op mij af en begon meteen op mij in te slaan. [3] Ik werd mishandeld in mijn woning. Ik zag dat een van de mannen spullen in een tas deed. Ik zag dat de man daarna mijn huis uit liep. Ik ben overal op mijn lichaam geslagen. Ik heb twee blauwe ogen, mijn bovenlip is kapot en ik heb meerdere bulten op mijn hoofd. [4]
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Medische informatie betreffende [slachtoffer 3] .
Datum waarop persoon werd onderzocht: 19 oktober 2024
Letsel oogkas
Snee bovenlip [5]
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 10 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 19 oktober 2024 in de woning van [slachtoffer 3] in Leusden was. Ik was twee weken daarvoor benaderd om een overval op hem te doen. Ik ben akkoord gegaan met het openen van de deur en zou een deel van de opbrengst krijgen. Ik ben op 19 oktober 2024 samen met medeverdachte [medeverdachte 3] opgehaald door medeverdachte [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] was met de auto en had op dat moment al een bijrijder. We zijn naar de woning van de aangever gereden. Ik ben als eerste uitgestapt en ben in de woning van aangever gegaan. Ik hield via mijn telefoon contact met de jongens die nog in de auto zaten. Toen er werd aangebeld, opende ik de deur en kwamen de jongens binnen. Een van hen begon met de aangever te vechten.
Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] van 29 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het was ergens in Leusden. De bedoeling was de bewoner te overvallen en dingen te pakken. Er kwam een jongen met de auto [
de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]]. Als eerste ging [verdachte] uit de auto. Op een gegeven moment appte [verdachte] dat wij moesten komen. De bestuurder van de auto bleef in de auto achter. Ik pakte vapes uit de woonkamer. [6]
Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 29 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wat wist [medeverdachte 3] van de overval?
A: Hij wist wat hij moest doen. Dat hij [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt aangever [slachtoffer 3] ) zou slaan. [7]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 oktober 2024 kregen wij, verbalisanten, het verzoek om te gaan naar het [adres 2] in [plaats] . Hier zou een melder kabaal en geschreeuw horen uit eerder genoemde
woning. Tevens zou deze melder personen met bivakmutsen uit de woning hebben zien
lopen. Deze personen zouden volledig in het zwart gekleed zijn. Ik zag dat het pand
een appartementencomplex betrof met een hoofdingang dat uitkwam op de parkeerplaats.
Ik zag op de parkeerplaats een manspersoon lopen. Ik zag dat de verdachte in zijn handen een voorwerp vasthield. Hierop reden wij, verbalisanten, onmiddellijk op naar de verdachte. Toen wij naast de verdachte stopten, zag ik, verbalisant, dat de verdachte stopte met lopen en de spullen op de grond liet vallen. Verdachte is aangehouden. Tijdens de fouillering van de verdachte [
de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3]] zag ik op de grond twee volle doosjes vapes liggen. Ik zag dat dit de voorwerpen waren die de verdachte eerder droeg want ik herkende de vorm en kleuren. [8]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 oktober 2024 deed ik, verbalisant, onderzoek op de openbare weg nabij het plaats delict, gelegen aan de [adres 2] te [plaats] . Op ongeveer 30 meter afstand stond een prullenbak. Ik zag dat daarin was gedeponeerd:
  • een plastic verpakking van een vape van het merk JNR;
  • een kartonnen verpakking van een vape van het merk JNR, batchnummer Y2M1D1-BT8500.
Tijdens de doorzoeking van de woning [
de rechtbank begrijpt: de woning van de aangever] werden in de woonkamer zes vapes aangetroffen. De batchnummers van de vapes in de woning kwamen overeen met de verpakking van de vape die in de prullenbak werd aangetroffen. [9]
4.3.4
Bewijsoverwegingen feit 3
Partiële vrijspraak van geweldshandelingen met vuurwapen
In de beschuldiging van de woningoverval staat dat [verdachte] met anderen een woning heeft overvallen door onder meer een vuurwapen te tonen en daarmee te schieten. De rechtbank heeft hiervoor al uitgelegd dat en waarom [verdachte] voor het meenemen en gebruiken van het vuurwapen niet verantwoordelijk kan worden gehouden. De rechtbank zal om diezelfde redenen [verdachte] ook vrijspreken van het tonen en gebruiken van het vuurwapen zoals dat staat in feit 3.
In het resterende gedachtestreepje is ten laste gelegd dat de aangever geslagen en geschopt zou zijn. Het schoppen volgt echter niet uit de verklaring van de aangever. Aan het specifieke punt in de verklaring van [medeverdachte 3] tijdens het politieverhoor dat hij heeft getrapt, gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank verwijst naar haar eerdere opmerkingen over de inconsistenties in zijn verklaringen, waardoor de rechtbank geen waarde aan dit specifieke punt hecht. Verder zijn er geen andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat [slachtoffer 3] is getrapt. Daarom zal [verdachte] ook van dit onderdeel van de beschuldiging worden vrijgesproken.
Medeplegen diefstal met geweld
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er een hoeveelheid vapes uit de woning van de aangever is weggenomen, dat de aangever is geslagen en dat hij daar letsel aan heeft overgehouden. De rechtbank acht diefstal met geweld hiermee wettig en overtuigend bewezen. Net als de officier van justitie en de advocaat is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] als medepleger van de diefstal met geweld kan worden aangemerkt.
Uit de hiervoor beschreven bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een duidelijke taakverdeling, waarbinnen [verdachte] een centrale rol vervulde. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt. [verdachte] wist bovendien dat [medeverdachte 3] [slachtoffer 3] zou gaan slaan. Daaruit kan zijn opzet op het geweld worden afgeleid. De rechtbank acht daarmee het medeplegen van diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen.

5.Het bewijs in zaak C (bezit boksbeugel)

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
[verdachte] bekent dat hij het feit heeft gepleegd zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In deze situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet volledig uit te werken. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [10]
  • De bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 10 februari 2026;
  • Een proces-verbaal van bevindingen van 20 mei 2024 over het aantreffen van de boksbeugel;
- Een proces-verbaal van 17 mei 2024 over de categorisering van de boksbeugel [12]

6.Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :
Zaak B (16/379431-24)
3 primair
op 19 oktober 2024 te Leusden tezamen en in vereniging met anderen, een hoeveelheid vapes die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van
geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
die [slachtoffer 3] meermalen met kracht te slaan;
Zaak C (16/229767-25)
op 16 mei 2024 te Amersfoort, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldigingen kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

7.Kwalificatie en strafbaarheid

7.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
Zaak B (16/379431-24)
Feit 3 primair: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Zaak C (16/229767-25)
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
7.2
Strafbaarheid feit en verdachte
Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van [verdachte] opheffen. De feiten zijn strafbaar en [verdachte] is dat ook.

8.Strafoplegging

8.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 360 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 284 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming waaronder voor de eerste twaalf maanden ITB Harde Kern, behalve de voorwaarde dat [verdachte] meewerkt aan aanvullende behandeling (omdat deze voorwaarde te onbepaald is);
- een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM), in de vorm van behandeling bij de Waag (Topzorg) voor de duur van 12 maanden.
De officier van justitie eist dat de GBM dadelijk uitvoerbaar is en dus direct na het uitspreken van het vonnis ingaat.
8.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] heeft de rechtbank verzocht om een jeugddetentie van 180 dagen op te leggen en het onvoorwaardelijk deel hiervan gelijk te stellen aan de duur van het voorarrest. Ten aanzien van de GBM en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan heeft de advocaat geen verweer gevoerd. Met betrekking tot de bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan de voorwaardelijke jeugddetentie, heeft de advocaat verzocht om jeugdreclasseringstoezicht zonder ITB Harde Kern op te leggen. Ook heeft zij verzocht om geen contactverboden en geen locatieverbod op te leggen. Ten aanzien van de overige bijzondere voorwaarden heeft de advocaat verzocht om deze enkel aan het voorwaardelijk deel van jeugddetentie en niet ook aan de GBM te koppelen.
8.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval, waarbij een hoeveelheid vapes is weggenomen. Hij kende het slachtoffer persoonlijk en heeft ingestemd met het plan om hem in zijn woning te overvallen en daarbij een ijzeren staaf en een taser mee te nemen. [verdachte] is samen met zijn medeverdachten naar de woning van het slachtoffer gereden en heeft enige tijd met het slachtoffer in zijn woning doorgebracht. Nadat [verdachte] hen een seintje aan had gegeven en de deur had geopend, kwamen de medeverdachten met bivakmutsen op de woning van het slachtoffer binnen. Het slachtoffer werd geslagen en [verdachte] deed alsof hij zelf ook mishandeld werd. Een van medeverdachten had een vuurwapen bij zich en heeft daarmee twee schoten door de ruit van de voordeur gelost. Weliswaar is niet gebleken dat [verdachte] wist dat er een vuurwapen zou worden meegenomen en dat daarmee zou worden geschoten, maar door de deur te openen voor de overvallers heeft hij wel de omstandigheid gecreëerd waarbinnen een medeovervaller het slachtoffer met het vuurwapen kon bedreigen en door de voordeur kon schieten terwijl het slachtoffer daarachter stond. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het slachtoffer daardoor ontzettend is geschrokken en daarvan nog steeds last ondervindt.
Met hun handelen hebben [verdachte] en zijn medeverdachten een grove inbreuk gemaakt op het lichamelijk en geestelijk welzijn van het slachtoffer en een grote minachting gehad voor zijn welzijn en eigendom. Het slachtoffer heeft bij de overval niet alleen lichamelijk letsel opgelopen, maar ervaart blijkens de toelichting op zijn verzoek tot schadevergoeding ook slaapproblemen en aanhoudende gevoelens van onrust en onveiligheid in zijn eigen woning. Dit is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig zou moeten voelen. [verdachte] heeft op geen enkele manier bij deze verstrekkende gevolgen voor het slachtoffer stilgestaan en zich enkel door eigen financieel gewin laten leiden. De rechtbank rekent het [verdachte] aan dat hij het vertrouwen van het slachtoffer heeft misbruikt en een zeer gewiekste rol in de uitvoering van de woningoverval heeft gespeeld.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] . Hieruit blijkt dat hij in 2021 voor diefstal met geweld (twee straatroven) is veroordeeld en dat er ten tijde van de ten laste gelegde feiten nog een proeftijd van een andere veroordeling liep.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het persoonlijkheidsonderzoek van 21 maart 2025, uitgebracht door drs. [D] (GZ-psycholoog). Hierin wordt beschreven dat bij [verdachte] sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een ouder-kind-relatieprobleem (met vader), een stoornis in het gebruik van cannabis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met anti-sociale en narcistische trekken. Volgens de psycholoog waren deze stoornissen ook aanwezig ten tijde van de woningoverval en hebben zij invloed gehad op de keuzes en gedragingen van [verdachte] ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Daarom adviseert de psycholoog om deze feiten verminderd aan [verdachte] toe te rekenen. De psycholoog schat het risico op herhaling van delictgedrag als matig tot hoog in wanneer er geen interventies worden toegepast. De belangrijkste zorgpunten zijn gelegen in de langdurige grens- en normoverschrijdende gedragsproblemen van [verdachte] , zijn beperkte gewetensontwikkeling, anti-sociale denkfouten, de omgang met anti-sociale leeftijdgenoten, het ontbreken van binding met onderwijs of werk en een beperkte veranderbaarheid zonder interventies. De psycholoog adviseert om aan [verdachte] een GBM op te leggen, waarbinnen toezicht door de jeugdreclassering wordt gecombineerd met intensieve ambulante behandeling binnen een forensische GGZ-setting (zoals Topzorg van De Waag).
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het voortgangsrapport van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE) van 19 november 2025, opgesteld door [B] , jeugdreclasseerder. Hierin komt naar voren dat [verdachte] zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis goed heeft gehouden aan de regels en afspraken met de jeugdreclassering. De vrijheden van [verdachte] zijn gefaseerd opgebouwd van volledig huisarrest naar een avondklok en er is inmiddels geen sprake meer van een enkelband. [verdachte] werkt fulltime bij een (vracht)autobedrijf en is daarnaast bezig met het halen van zijn autorijbewijs. In oktober 2025 is hij begonnen aan een behandeltraject bij [instelling] met twee contactmomenten per week. Ondanks de positieve ontwikkelingen van de afgelopen periode, bestaan er bij SAVE nog zorgen over [verdachte] . Zo is hij in juni 2025 korte tijd aangehouden geweest door de politie, is er weinig zicht op zijn sociale netwerk en toont hij zich niet gemotiveerd om te stoppen met blowen. SAVE acht het van groot belang dat de behandeling bij [instelling] wordt voortgezet en schaart zich daarom achter het advies van de psycholoog om [verdachte] een GBM op te leggen. SAVE adviseert daarnaast om [verdachte] een jeugddetentie op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie dient de maatregel van Toezicht en Begeleiding worden gekoppeld, waarvan de eerste 12 maanden ITB Harde Kern.
De rechtbank heeft tot slot rekening gehouden met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 januari 2026, uitgebracht door [C] , Raadsonderzoeker. De Raad schrijft dat [verdachte] zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis goed heeft ingezet voor de begeleiding vanuit de jeugdreclassering, de behandeling bij [instelling] en zijn fulltime baan. Zorgelijk is dat [verdachte] in november 2025 opnieuw in aanraking is gekomen met de politie en daarnaast de schorsingsvoorwaarde betreffende het niet gebruiken van drugs heeft geschonden. Het baart de Raad verder zorgen dat [verdachte] niet intrinsiek gemotiveerd lijkt te zijn om behandeling te volgen en alleen meewerkt omdat dit verplicht is. Volgens de Raad zal [verdachte] nog flink moeten werken aan het vergroten van zijn vaardigheden ten aanzien van zijn sociaal netwerk, eigen emoties, denkfouten en het maken van pro-sociale keuzes. De Raad is het eens met het advies van de psycholoog en van SAVE om [verdachte] een GBM op te leggen. Het voordeel hiervan is dat een GBM de mogelijkheid biedt om [verdachte] , als dat nodig is, een time-out in de jeugdgevangenis te geven. Dit vergroot de kans dat [verdachte] zich aan de voorwaarden zal houden en actief mee zal werken aan zijn behandeling. Omdat het risico bestaat dat de behandeling zonder een verplicht kader stagneert of geheel wordt stopgezet, adviseert de Raad om te bepalen dat de GBM direct na de uitspraak van het vonnis ingaat. De Raad adviseert de rechtbank om naast de GBM een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie met een de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
I. Begeleiding door de jeugdreclassering in de vorm van de maatregel Toezicht en Begeleiding, waarvan de eerste 12 maanden in het kader van ITB Harde Kern;
II. Inzet voor het behouden van een positieve dagbesteding (werk/school);
III. Inzet voor het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;
IV. Medewerking verlenen aan de begeleiding van de re-integratieofficier van de gemeente Amersfoort;
V. Een contactverbod met de medeverdachten;
VI. Een contactverbod met het slachtoffer;
VII. Een locatieverbod voor de woning van het slachtoffer in Leusden;
VIII. Inzicht geven in middelengebruik en medewerking verlenen aan hulpverlening, indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
IX. Meewerken aan aanvullende behandeling, indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.
Verminderde toerekenbaarheid
De rechtbank neemt het advies van de psycholoog om de diefstal met geweld verminderd aan [verdachte] toe te rekenen over en houdt daar bij de strafoplegging rekening mee.
GBM
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat aan alle vereisten voor de oplegging van een GBM is voldaan. De advocaat van [verdachte] heeft geen verweer tegen de oplegging van deze maatregel gevoerd. [verdachte] is inmiddels begonnen aan zijn behandeling bij [instelling] en de rechtbank onderschrijft dat een GBM helpend kan zijn om te verzekeren dat [verdachte] aan deze behandeling mee blijft werken. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan [verdachte] een GBM opleggen voor de duur van 12 maanden. De GBM zal bestaan uit ambulante behandeling bij [instelling] of een soortgelijke instelling, en daarnaast toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, waarvan de eerste twaalf maanden in het kader van ITB Harde Kern. Anders dan de advocaat van [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is om te bepalen dat [verdachte] zal meewerken aan het jeugdreclasseringstoezicht waarvan maximaal 12 maanden ITB Harde Kern. De rapportages over [verdachte] maken duidelijk dat hij gebaat is bij een strak kader, op basis waarvan stevig kan worden opgetreden wanneer [verdachte] de voorwaarden niet of onvoldoende naleeft. De rechtbank gaat ervan uit dat het ITB-HK traject dat [verdachte] gedurende zijn schorsing heeft gehad, zal worden voortgezet in de stand waarin zij zich nu bevindt. Samen Veilig Midden-Nederland wordt opgedragen de tenuitvoerlegging van de maatregel te ondersteunen.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de recidive van [verdachte] en zijn persoonlijke problematiek zoals blijkend uit de rapportages, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat hij opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank, gelet op artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht, bevelen dat de GBM direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
Jeugddetentie
De rechtbank zal naast de GBM een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen, maar korter dan de duur zoals die door de officier van justitie is geëist. De belangrijkste reden hiervoor is dat [verdachte] in de zaak over de woningoveral van het grootste deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] een strafbare rol heeft gehad bij de poging tot doodslag, de bedreiging én het meest strafwaardige onderdeel van de diefstal met geweld, namelijk het gebruik van het vuurwapen.
Dit heeft grote invloed op de hoogte van de straf die aan [verdachte] kan worden opgelegd. In de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS wordt voor een woningoverval een jeugddetentie vanaf zes maanden als uitgangspunt gegeven. De rechtbank heeft in strafverzwarende zin meegewogen dat [verdachte] in het verleden al eens eerder voor diefstal met geweld is veroordeeld. Hier staat tegenover dat [verdachte] ten tijde van het feit 17 jaar oud was, vanwege zijn psychische problematiek verminderd toerekeningsvatbaar is, nooit eerder heeft vastgezeten en sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een voorzichtig positieve ontwikkeling heeft laten zien. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende reden is om aan [verdachte] een langere jeugddetentie op te leggen dan de zes maanden die uit de oriëntatiepunten voortvloeien. De rechtbank zal daarom volstaan met de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit betekent dat [verdachte] niet terug naar de jeugdgevangenis wordt gestuurd maar nog wel een voorwaardelijke straf boven zijn hoofd heeft hangen. Het voorwaardelijk strafdeel heeft tot doel om intensieve begeleiding van [verdachte] mogelijk te maken en hem te ontmoedigen om zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de Raad heeft geadviseerd, met uitzondering van de voorwaarde betreffende aanvullende behandeling. De rechtbank is van oordeel dat deze voorwaarde te onbepaald geformuleerd is en dat aanvullende behandeling, voor zover nodig, ook mogelijk kan worden gemaakt door wijziging van de voorwaarden. Wat betreft de geadviseerde jeugdreclasseringsbegeleiding acht de rechtbank het noodzakelijk dat de jeugdreclasseringsbegeleiding na de GBM nog 12 maanden doorloopt. De rechtbank zal hierbij wel de voorwaarde van 12 maanden ITB Harde Kern weglaten. Deze voorwaarde zal namelijk binnen de uitvoering van de hierna op te leggen GBM zijn gehele beslag krijgen.
Om dezelfde reden als hierboven bij de GBM is overwogen, zal de rechtbank bevelen dat ook de bijzondere voorwaarden en het toezicht bij het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie direct na de uitspraak ingaan (dadelijk uitvoerbaar).
Voorlopige hechtenis
Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie is qua duur gelijk aan de tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gelet hierop zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

9.In beslag genomen voorwerpen

9.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de kogelpatroon te onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen omdat [verdachte] afstand van deze voorwerpen zou hebben gedaan.
9.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om het standpunt van de officier van justitie te volgen maar om de in beslag genomen telefoon terug te geven aan [verdachte] .
9.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de kogelpatroon, de boksbeugel en het zakje met wit poeder onttrekken aan het verkeer, omdat deze van een zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Ten aanzien van de telefoon en het ballistisch mes zal de rechtbank de teruggave aan [verdachte] gelasten, omdat er geen juridische grond is om deze goederen verbeurd te verklaren of te onttrekken aan het verkeer.

10.Vordering benadeelde partij in zaak B

10.1
Voeging benadeelde partij
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij vordert een bedrag van € 9.535,-, bestaande uit € 35,- materiële schade en € 9.500,- immateriële schade, als gevolg van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. Hij vordert daarbij ook de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot gehele toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij aangevoerd dat zowel het lichamelijk letsel als het geestelijk letsel onvoldoende onderbouwd is. De advocaat heeft verzocht om het gevorderde bedrag daarom te matigen tot € 3.000,-.
10.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De materiële schade heeft betrekking op één dag ziekenhuisdaggeldvergoeding. Dit onderdeel van de vordering is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Immateriële schade
Op grond van art. 6:106 BW Pro is vergoeding van immateriële schade onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of ‘op andere wijze is zijn persoon is aangetast.’
Uit het dossier en toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in ieder geval aan zijn oogkas, rug en bovenlip. In de toelichting op de vordering wordt gesteld dat de benadeelde daarnaast ernstig psychisch letsel heeft opgelopen. Deze stelling is niet onderbouwd met verklaringen van bijvoorbeeld een huisarts of psycholoog. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit mag echter verondersteld worden dat het slachtoffer in ieder geval enig geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op het vorengaande zal de rechtbank het immateriële deel van de vordering gedeeltelijk toewijzen.
Voor de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag zoekt rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als een hulpmiddel bij de billijkheidsafweging. De rechtbank heeft gekeken naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Uit categorie 19.1 blijkt dat, in het geval van een overval in de woning van de benadeelde, een bedrag tussen de € 3.000,- en € 8.000,- passend wordt gevonden. Vanwege de beperkte onderbouwing van met name het geestelijk letsel, ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om aan de onderkant van de genoemde bandbreedte te gaan zitten. Omdat er ook sprake is van lichamelijk letsel, komt de rechtbank wel tot een iets hoger bedrag dan de ondergrens van € 3.000,-.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.500,- billijk is. De rechtbank wijst het immateriële deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe en verklaart het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente en hoofdelijkheid
De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.535,-, inclusief de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling. De vordering zal hoofdelijk worden toegewezen. Hiermee wordt bedoeld dat elke verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is en van zijn vergoedingsplicht is bevrijd voor zover een van de medeverdachten heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dit betekent (kort gezegd) dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag dat [verdachte] op grond van de schadevergoedingsmaatregel moet betalen, heeft de rechtbank gekeken naar het aandeel van [verdachte] in het veroorzaken van de door de benadeelde geleden schade. Dit om te voorkomen dat een groot deel van de schade op één van de (mede)verdachten wordt verhaald, terwijl ieder een eigen aandeel in het veroorzaken van de schade heeft gehad. De rechtbank overweegt dat [verdachte] weliswaar geen geweld heeft gebruikt en/of goederen heeft weggenomen, maar wel een sleutelrol bij de overval heeft gespeeld en nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt. De rechtbank vindt bij deze omstandigheden een schadebedrag van €1.500,- billijk en bepaalt dat [verdachte] dit bedrag aan de Staat moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierboven vermeld. De betaling die door [verdachte] aan de Staat is gedaan, wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Omdat [verdachte] ten tijde van het bewezenverklaarde feit minderjarig was, zal bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskosten
[verdachte] zal tot slot worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

11.Vordering tot tenuitvoerlegging

11.1
Eerdere veroordeling
Op 26 augustus 2024 is [verdachte] door de kantonrechter in deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 16/103148-24, veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk.
11.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat het voorwaardelijk deel van de aan [verdachte] opgelegde taakstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
11.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd en laat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
11.4
Het oordeel van de rechtbank
[verdachte] heeft de algemene voorwaarde bij zijn voorwaardelijke veroordeling geschonden door zich binnen de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Gelet hierop komt de vordering van de officier van justitie in beginsel voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken en vindt het, mede vanuit pedagogisch oogpunt, van belang dat een overtreding van de voorwaarden gevolgen heeft. De vordering van de officier van justitie zal daarom worden toegewezen. Dit betekent dat [verdachte] , in aanvulling op de strafoplegging in de hoofdzaak, een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uur moet verrichten, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie wanneer hij deze niet of niet naar behoren verricht.

12.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregelen en de beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen:
  • 36b, 36c, 36f, 47, 77a, 77g, 77i, , 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 13 en 26 van de Wet Wapens en Munitie.

13.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het in 16/319181-24 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het in 16/379431-24 onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het in 16/379431-24 onder 3 primair ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven in paragraaf 6 is vermeld;
- verklaart het in 16/229767-25 ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven in paragraaf 6 is vermeld;
- verklaart het overige dat in de beschuldigingen staat niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid feiten
- verklaart de bewezenverklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zoals hiervoor in paragraaf 7 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het in paragraaf 6 bewezenverklaarde;
Oplegging van straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 180 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat
van de jeugddetentie een gedeelte van 101 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd (het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie is dus gelijk aan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zodat verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis);
- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;
- stelt als
algemene voorwaardendat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
* zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding houdt aan de aanwijzingen van Samen Veilig Midden-Nederland (locatie Utrecht) en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
* zich inzet voor het behouden van een positieve dagbesteding (werk/school);
* zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;
* medewerking verleent aan de begeleiding van de re-integratie officier van de gemeente Amersfoort;
* op geen enkele wijze  ook niet via derden  contact zoekt, heeft of onderhoudt met het slachtoffer, [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1993). De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
* op geen enkele wijze  ook niet via derden  contact zoekt, heeft of onderhoudt met medeverdachten:
 [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum] 2007);
 [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum] 2006);
 [medeverdachte 4] (geboren op [geboortedatum] 2006);
 [medeverdachte 5] (geboren op [geboortedatum] 2008);
De politie ziet toe op handhaving van deze contactverboden.
* zich niet zal begeven in een straal van 150 meter rondom de woning van het slachtoffer aan de [adres 2] , [postcode] te [plaats] . De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;
* inzicht geeft in zijn alcohol- en drugsgebruik en meewerkt aan hulpverlening gericht op alcohol- en drugsgebruik, indien en zolang dit door de jeugdreclassering nodig wordt geacht;
- geeft aan Samen Veilig Midden-Nederland (locatie Utrecht) de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van de contactverboden en het locatieverbod, en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- legt op aan verdachte
de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden, bestaande uit het volgende;
* verdachte zal zich laten behandelen bij [instelling] of een soortgelijke instelling;
* verdachte werkt mee aan het toezicht en de begeleiding vanuit Samen Veilig Midden-Nederland, waarvan maximaal 12 maanden in het kader van ITB Harde Kern. Hij meldt zich op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
- draagt de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland op de
tenuitvoerlegging van de maatregel te ondersteunen;
- beveelt dat
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur
van maximaal
6 (zes) maandenals veroordeelde niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel;
- beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is;
Beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
 1 STK munitie, kogelpatroon (G3422562);
 1 STK wapen, boksbeugel (3345493);
 1 STK verdovende middelen, witte ponypack (G3345519);
- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:
 1 STK telefoontoestel (G3344043);
 1 STK ballistisch mes (G3345507) ;
Benadeelde partij [slachtoffer 3] (zaak met parketnummer 16/379431-24 (feit 3 primair))
- wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 3.535,-, waarvan een bedrag van € 35,- voor materiële schade en een bedrag van € 3.500,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] ;
- verklaart [slachtoffer 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 1.500,- te betalen, zijnde het door de rechtbank bepaalde aandeel van verdachte in de schade (om te voorkomen dat een groot deel van de schade op één van de (mede)verdachten wordt verhaald, terwijl ieder een eigen aandeel in het veroorzaken van de schade heeft gehad), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten, door [slachtoffer 3] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;
Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 26 augustus 2024 opgelegde voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen jeugddetentie;
Voorlopige hechtenis
- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Könning, voorzitter, mr. N.M.H. van Ek en
mr. S.D. Groen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Molals griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Bijlage I: De tenlasteleggingen
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij:
Zaak A (16/319181-24)
op of omstreeks 3 april 2024 te Hooglanderveen, gemeente Amersfoort
geld en/of een kassalade, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[horecagelegenheid] , in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van
geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met
het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of
om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend een vuurwapen, althans een op vuurwapen
gelijkend voorwerp te tonen en/of voor te houden en/of,
- een vuurwapen, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of;
- een vuurwapen, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp (meerdere malen,
met kracht) tegen het hoofd te slaan van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of;
- ( daarbij) aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (op dreigende toon) de woorden toe te voegen:
"Geld, geld, geld, geld. geld" en/of
"Geld in de tas, geld in de tas" en/of
"Geld pakken, geld pakken" en/of
"Pak geld, pak geld, pak het", en/of
"Kluis, waar is de kluis, ik wil de kluis zien";
Zaak B (16/379431-24)
1
op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
[slachtoffer 3]
opzettelijk
van het leven te beroven,
- met (een) vuurwapen(s) naar de woning van die [slachtoffer 3] is gegaan en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 3] heeft doorgeladen en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 3] heeft geschoten in/tegen het
lichaam van die [slachtoffer 3] en/of in de richting van die [slachtoffer 3] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door hem en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet,
- met (een) vuurwapen(s) naar de woning van die [slachtoffer 3] is gegaan en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 3] heeft doorgeladen en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 3] heeft geschoten in/tegen het
lichaam van die [slachtoffer 3] en/of in de richting van die [slachtoffer 3] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij en/of tot welk feit verdachte op 19 oktober 2024 te Leusden
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of
inlichtingen heeft verschaft door
- naar de woning van die [slachtoffer 3] te gaan en/of
- ervoor te zorgen dat die [slachtoffer 3] in zijn woning/op de plaats delict zou zijn en/of
blijven en/of
- te laten weten aan [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) dat die [slachtoffer 3] in zijn
woning/op de plaats delict zou zijn en/of
- de deur van de woning van die [slachtoffer 3] te openen voor [medeverdachte 3] en/of zijn
mededader(s);
2
op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,
door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer 3] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 3] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 3] te schieten in/tegen het lichaam
van die [slachtoffer 3] en/of in de richting van die [slachtoffer 3] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] heeft
bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,
door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer 3] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 3] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 3] te schieten in/tegen het lichaam
van die [slachtoffer 3] en/of in de richting van die [slachtoffer 3] ,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 oktober 2024
te Leusden opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- naar de woning van die [slachtoffer 3] te gaan en/of
- ervoor te zorgen dat die [slachtoffer 3] in zijn woning/op de plaats delict zou zijn en/of
blijven en/of
- te laten weten aan [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) dat die [slachtoffer 3] in zijn
woning/op de plaats delict zou zijn en/of
- de deur van de woning van die [slachtoffer 3] te openen voor [medeverdachte 3] en/of zijn
mededader(s);
3
op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van
geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk
om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer 3] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 3] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 3] te schieten in/tegen het lichaam
van die [slachtoffer 3] en/of in de richting van die [slachtoffer 3]
- die [slachtoffer 3] meermalen (met kracht) te slaan en/of te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3]
, in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 3] en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of
gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het
oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij
betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer 3] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 3] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 3] te schieten in/tegen het lichaam
van die [slachtoffer 3] en/of in de richting van die [slachtoffer 3]
- die [slachtoffer 3] meermalen (met kracht) te slaan en/of te schoppen,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 oktober 2024
te Leusden opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- naar de woning van die [slachtoffer 3] te gaan en/of
- ervoor te zorgen dat die [slachtoffer 3] in zijn woning/op de plaats delict zou zijn en/of
blijven en/of
- te laten weten aan [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) dat die [slachtoffer 3] in zijn
woning/op de plaats delict zou zijn en/of
- de deur van de woning van die [slachtoffer 3] te openen voor [medeverdachte 3] en/of zijn
mededader(s);
Zaak C (16/229767-25)
op of omstreeks 16 mei 2024 te Amersfoort, een wapen(s), van categorie I, onder
1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft
gehad en/of heeft gedragen

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024331744, pagina 1 tot en met 428. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
2.P. 87 PV VGL.
3.P. 88 PV VGL.
4.P. 89 PV VGL.
5.P. 339 PV VGL.
6.P. 178 en p. 179 PV VGL.
7.P. 395 PV VGL.
8.P. 14 en p. 16 PV VGL.
9.P. 41 VGL.
10.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PLO900-2024153986, pagina 1 tot en met 32. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
11.P. 6.
12.P. 24.