ECLI:NL:RBMNE:2026:934

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
16/333744-24; 05/109318-25 (gev. ttz); 05/230574-25 (gev. ttz); 05/184123-24 (vord. TUL)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77c SrArt. 77z SrArt. 77aa SrArt. 6:106 BWArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag en bedreiging, veroordeeld voor medeplegen diefstal met geweld en mishandeling

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 10 maart 2026 de strafzaken tegen verdachte betreffende drie afzonderlijke zaken: een woningoverval in Leusden (zaak A), en twee mishandelingen in Groesbeek (zaken B en C).

In zaak A werd verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag en bedreiging met een vuurwapen, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij het vuurwapen gebruikte of daarvan op de hoogte was. Wel werd hij veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld, waarbij hij samen met anderen vapes stal en het slachtoffer sloeg.

In zaak B werd verdachte veroordeeld voor mishandeling door het slachtoffer in de arm te bijten, terwijl het slaan niet bewezen kon worden. In zaak C werd hij veroordeeld voor mishandeling door het slachtoffer tegen het hoofd te slaan en een ander slachtoffer te bijten.

De rechtbank hield rekening met de verminderd toerekeningsvatbaarheid van verdachte vanwege een genetische stoornis en psychische problematiek. Gezien de ernst van de feiten, recidive en risico op herhaling, legde de rechtbank een jeugddetentie van 120 dagen op, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden gericht op intensieve begeleiding. Tevens werden schadevergoedingen aan de slachtoffers toegewezen en een eerdere voorwaardelijke taakstraf ten uitvoer gelegd.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag en bedreiging, veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie waarvan 90 voorwaardelijk voor medeplegen diefstal met geweld en mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/333744-24; 05/109318-25 (gev. ttz); 05/230574-25 (gev. ttz); 05/184123-24 (vord. TUL)
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026
in de strafzaak tegen:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] te [plaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.De zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van
13 februari 2026. Met toestemming van de officier van justitie en de advocaat is het onderzoek ter zitting enkelvoudig gesloten op de zitting van 10 maart 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Op de zitting van 13 februari 2026 waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de advocaat van [verdachte] , mr. J.J. Weldam;
  • de officier van justitie, mr. M.M.L. Kalsbeek;
  • de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , mr. J. de Vries;
  • de moeder van [verdachte] , [A] ;
  • de jeugdreclasseerder (Jeugd- en Gezinsbeschermers), [B]
  • de raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, [C] .

2.De tenlasteleggingen

De officier van justitie heeft drie zaken tegen [verdachte] bij de rechtbank aangebracht. Ten behoeve van de overzichtelijkheid en leesbaarheid van dit vonnis zullen deze zaken in het vervolg ‘zaak A’, ‘zaak B’ en ‘zaak C’ worden genoemd. Hieronder wordt per zaak beknopt weergegeven waar [verdachte] van beschuldigd wordt. De volledige tekst van de beschuldigingen is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
Zaak A (16/333744-24)
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
Feit 1
op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven;
Feit 2
op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd;
Feit 3
op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, een hoeveelheid vapes heeft gestolen door middel van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 1] .
Zaak B (05-109318-25)
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
op 8 april 2025 te Groesbeek [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem te slaan en/of in de arm te bijten.
Zaak C (05-230574-25)
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
op 25 augustus 2025 te Groesbeek
  • [slachtoffer 3] heeft mishandeld door hem tegen het hoofd te slaan en/of
  • [slachtoffer 4] heeft mishandeld door hem te bijten.

3.Het bewijs in zaak A (woningoverval [slachtoffer 1] )

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Voor zover van belang worden de standpunten van de officier van justitie hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft vrijspraak van de poging tot doodslag (feit 1) bepleit omdat [verdachte] niet heeft geschoten en ook het medeplegen niet kan worden bewezen. Ten aanzien van de bedreiging (feit 2) en de diefstal met geweld (feit 3) heeft de advocaat verzocht om [verdachte] gedeeltelijk vrij te spreken, namelijk van alle onderdelen van de beschuldiging die betrekking hebben op het vuurwapen. De rechtbank begrijpt het standpunt van de advocaat aldus dat hij volledige vrijspraak van feit 2 en gedeeltelijke vrijspraak van feit 3 heeft bepleit. Voor zover van belang worden de standpunten van de advocaat hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleidende overweging
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die op de zitting niet ter discussie hebben gestaan. Op 19 oktober 2024 heeft er in de woning van aangever [slachtoffer 1] te Leusden een woningoverval plaatsgevonden. Voorafgaand aan de overval is [verdachte] samen met medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] gestapt. Samen met nog één onbekend gebleven medeverdachte zijn de verdachten naar de woning van de aangever gereden. Medeverdachte [medeverdachte 1] is als eerste uit de auto gestapt. Hij kende de aangever persoonlijk en heeft enige tijd met hem in zijn woning doorgebracht. Op enig moment heeft [medeverdachte 1] het doen lijken alsof hij met zijn telefoon een milkshake bestelde. Toen er even later werd aangebeld, zogenaamd door de bezorger van de milkshake, deed [medeverdachte 1] de deur open en kwamen drie mannen, onder wie [verdachte] , met bivakmutsen op de woning van de aangever binnen. Één van hen mishandelde de aangever en een andere man had een vuurwapen bij zich. De aangever is erin geslaagd om deze persoon door de voordeur zijn woning uit te werken, de galerij op. Nadat de aangever de voordeur dicht en op slot had gedaan, heeft de overvaller met het vuurwapen door de ruit van de voordeur geschoten. Hierna hebben de verdachten de woning van de aangever verlaten. [verdachte] verliet als laatste de woning en de medeverdachten zijn zonder hem in de auto van [medeverdachte 2] weggereden.
3.3.2
Vrijspraak feit 1 en feit 2
[verdachte] wordt verweten dat hij als medepleger of medeplichtige heeft deelgenomen aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] (feit 1) en aan een bedreiging met de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] (feit 2). Bij beide beschuldigingen staat het gebruik van het vuurwapen centraal.
De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden dat [verdachte] het vuurwapen heeft meegenomen of gebruikt. Op de zitting heeft [verdachte] ontkend dat hij de persoon was die met het vuurwapen heeft geschoten. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat [verdachte] bij zijn aanhouding geen vuurwapen bij zich had en dat er in de omgeving van de woning ook geen vuurwapen is gevonden. Er zijn wel kruitresten aangetroffen op de handschoenen die [verdachte] bij zich droeg toen hij werd aangehouden, maar uit een rapportage van het NFI blijkt dat dit niet hoeft te betekenen dat [verdachte] geschoten heeft. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart, in lijn met de verklaring van [verdachte] , dat [verdachte] ten tijde van de schoten in de woning was en niet op de galerij stond. Uit de verklaringen volgt ook dat de overvallers na de schoten zijn vertrokken, waarbij volgens [slachtoffer 1] een van de overvallers nog in de woonkamer achterbleef. [verdachte] is door de politie bij de woning aangetroffen toen de auto met de medeverdachten al weg was, waardoor aannemelijk is dat hij de laatste was die de woning heeft verlaten en dus niet van buiten af op de voordeur heeft geschoten. Gelet op het vorengaande kan de rechtbank niet vaststellen dat [verdachte] de schutter is geweest.
Om [verdachte] toch als medepleger of medeplichtige aansprakelijk te houden voor de poging doodslag en bedreiging, moet er bewijs zijn dat het wel de bewuste bedoeling van [verdachte] was dat geprobeerd zou worden om iemand te doden of om iemand te bedreigen met de dood of zwaar lichamelijk letsel (vol opzet). De rechtbank ziet hiervoor geen bewijs. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of er bij [verdachte] sprake is geweest is van voorwaardelijk opzet. Daarvoor moet worden gekeken of er voldoende bewijs is dat hij wist dat het doden of bedreigen van [slachtoffer 1] waarschijnlijk kon gebeuren en dat risico ook bewust accepteerde. De rechtbank is op basis van het dossier niet overtuigd dat [verdachte] dit voorwaardelijk opzet had.
Uit de verklaringen van [verdachte] en zijn medeverdachten leidt de rechtbank af dat er een plan was om de aangever te beroven. Zij wisten dat de aangever thuis was en hadden afgesproken dat [medeverdachte 1] bij hem langs zou gaan en op enig moment de deur van de woning zou openen. Hierop zouden er meerdere personen met bivakmutsen de woning in komen, die de aangever op hardhandige wijze van geld en/of spullen zouden beroven. Op basis van de verklaringen van [verdachte] en zijn medeverdachten kan de rechtbank niet vaststellen dat het meenemen en afvuren van het vuurwapen ook een onderdeel van het gezamenlijk plan was.
Op de zitting heeft [verdachte] ontkend dat hij van het vuurwapen afwist. Hij verklaart dat hij tijdens de autorit naar de woning van de aangever geen vuurwapen heeft gezien en er ook niet over een vuurwapen is gesproken. Dit wijkt af van de verklaring die [verdachte] op 20 december 2024 bij de politie heeft afgelegd. [verdachte] heeft toen namelijk verklaard dat dat de (onbekend gebleven) bijrijder een vuurwapen bij zich had en in de auto heeft gezegd dat hij de bewoner van de woning daarmee onder schot zou houden. De rechtbank zal [verdachte] niet houden aan dit specifieke punt in zijn verklaringen over het vuurwapen. De reden daarvoor is dat [verdachte] bij de politie wisselende en deels tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wat het plan was, wat er uiteindelijk is gebeurd, wie erbij betrokken waren en wat hun aandeel is geweest. Zo verklaarde hij aanvankelijk dat medeverdachte [medeverdachte 1] het vuurwapen bij zich had en de aangever daarmee heeft geslagen. Later verklaarde hij dat dit toch een andere medeverdachte was. [verdachte] verklaarde tevens dat medeverdachte [medeverdachte 3] ook in de woning van de aangever is geweest, terwijl hij daar later weer op teruggekomen is. Gelet op de inconsistenties in de verklaringen van [verdachte] is de rechtbank terughoudend met het gebruik daarvan als bewijsmiddel en gebruikt zij de verklaringen alleen als die voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Buiten de verklaringen van [verdachte] bevat het dossier geen bewijsmiddel waaruit volgt dat [verdachte] van het vuurwapen afwist. Deze wetenschap kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden aangenomen op de grond dat [verdachte] wist dat de bewoner thuis was en er een aanmerkelijke kans was dat hij zich zou verzetten. Het ligt voor de hand dat een bewoner zich zal (proberen te) verzetten wanneer er meerdere personen met bivakmutsen zijn woning binnenkomen. Dit betekent echter niet dat [verdachte] er ernstig rekening mee moest houden dat een van de medeverdachten (daarom) een vuurwapen zou meenemen, laat staan dat hij dit vuurwapen daadwerkelijk zou gebruiken.
Nu de rechtbank niet kan vaststellen of [verdachte] wist dat een van zijn medeverdachten een vuurwapen meenam naar de woning, kan in ieder geval daaruit niet worden afgeleid dat hij voorwaardelijk opzet had op de dood, op het bedreigen met de dood of op het bedreigen met zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat ook geen ander bewijs waaruit dat voorwaardelijk opzet van [verdachte] op de dood of de bedreiging van [slachtoffer 1] duidelijk wordt. Het gevolg hiervan is dat [verdachte] zal worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde poging tot doodslag (feit 1) en bedreiging (feit 2).
3.3.3
Bewijsmiddelen feit 3 [1]
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: [adres 2] , [plaats]
Pleegdatum: 19 oktober 2024
Ik was thuis en er kwam een jongen langs die ik ken als [medeverdachte 1] . [2] Ik hoorde dat [medeverdachte 1] de voordeur open deed. Ik zag vervolgens dat er drie personen in mijn woning waren gekomen. Ik zag dat deze personen bivakmutsen op hadden. Eén van deze personen liep op mij af en begon meteen op mij in te slaan. [3] Ik werd mishandeld in mijn woning. Ik zag dat een van de mannen spullen in een tas deed. Ik zag dat de man daarna mijn huis uit liep. Ik ben overal op mijn lichaam geslagen. Ik heb twee blauwe ogen, mijn bovenlip is kapot en ik heb meerdere bulten op mijn hoofd. [4]
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 13 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 19 oktober 2024 in de woning van de aangever [slachtoffer 1] in Leusden ben geweest. Er was een plan om hem in zijn woning te beroven en ik heb daaraan meegedaan. Tegen mij was gezegd dat ik spullen uit zijn woning moest pakken. Ik heb een aantal vapes gepakt en geweld gebruikt om mijzelf van de aangever los te maken. Daarna ben ik zijn woning uitgelopen met een tas met vapes.
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Medische informatie betreffende [slachtoffer 1] .
Datum waarop persoon werd onderzocht: 19 oktober 2024
Letsel oogkas
Snee bovenlip [5]
3.3.4
Bewijsoverwegingen feit 3
Partiële vrijspraak
In de beschuldiging van de woningoverval staat dat [verdachte] met anderen een woning heeft overvallen door onder meer een vuurwapen te tonen en daarmee te schieten. De rechtbank heeft hiervoor al uitgelegd dat en waarom [verdachte] voor het meenemen en gebruiken van het vuurwapen niet verantwoordelijk kan worden gehouden. De rechtbank zal [verdachte] om diezelfde redenen ook vrijspreken van het tonen en gebruiken van het vuurwapen zoals dat staat in feit 3.
In het resterende gedachtestreepje is ten laste gelegd dat de aangever geslagen en geschopt zou zijn. Uit de verklaring van de aangever volgt echter niet dat hij is geschopt. [verdachte] heeft tijdens zijn politieverhoor wel verklaard dat hij heeft getrapt, maar zijn verklaring vindt op dat punt geen steun in andere bewijsmiddelen. Daarom zal [verdachte] ook van dit onderdeel van de beschuldiging worden vrijgesproken.
Medeplegen diefstal met geweld
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte] een hoeveelheid vapes uit de woning van de aangever heeft weggenomen, dat de aangever is geslagen en dat hij daar letsel aan heeft overgehouden. Gelet hierop acht de rechtbank diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt. Uit de verklaring van [verdachte] blijkt dat er een plan was om de aangever in zijn woning te beroven en dat hij daaraan heet meegedaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt. De rechtbank acht daarmee het medeplegen van diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen.
4. Het bewijs in zaak B (mishandeling van [slachtoffer 2] )
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft vrijspraak van de mishandeling bepleit omdat het opzet niet kan worden bewezen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Bewijsmiddelen [6]
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: Groesbeek
Pleegdatum: dinsdag 8 april 2025
Ik zag dat [verdachte] mij in mijn linker bovenarm beet. Ik voelde veel pijn op die plek. [7]
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 13 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik M. [slachtoffer 2] op 8 april 2025 in Groesbeek in zijn arm heb gebeten. Ik deed dit omdat ik gefixeerd werd.
4.3.2
Bewijsoverweging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij aangever [slachtoffer 2] heeft geslagen en in de arm heeft gebeten.
De rechtbank acht het bijten wettig en overtuigend bewezen, nu de aangever verklaart dat [verdachte] hem heeft gebeten en [verdachte] dit op de zitting heeft bekend. Het verweer van de raadsman over het ontbreken van opzet bij het bijten vindt zijn weerlegging in de verklaring van [verdachte] op zitting en behoeft daarom geen verdere bespreking.
De rechtbank acht het slaan van de aangever niet bewezen. [verdachte] ontkent dat hij de aangever heeft geslagen en het dossier bevat geen steunbewijs voor de verklaring van de aangever dat [verdachte] dit wel zou hebben gedaan. Uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat [verdachte] om zich heen sloeg, maar niet dat hij de aangever hierbij (bewust) heeft geraakt. Gelet op het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de aangever heeft mishandeld door hem in zijn arm te bijten.

5.Het bewijs in zaak C (mishandeling van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] )

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 3] en de mishandeling van [slachtoffer 4] wettig en overtuigend te bewijzen.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om [verdachte] gedeeltelijk vrij te spreken van de mishandeling van [slachtoffer 4] wegens gebrek aan bewijs. Ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 3] heeft de advocaat geen bewijsverweer gevoerd.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
5.3.1
Bewijsmiddelen [8]
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: Groesbeek
Pleegdatum: 25 augustus 2025
Ik zag dat [verdachte] met zijn rechter arm aanhaalde naar achteren, waarop hij mij twee keer met een gebalde vuist op mijn linkerkant van mijn hoofd sloeg ter hoogte van mijn slaap. [9]
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: Groesbeek
Pleegdatum: 25 augustus 2025
Ik zag dat de cliënt [
de rechtbank begrijpt: [verdachte]] [slachtoffer 3] [
de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]] op zijn hoofd sloeg. Ik zag dat de cliënt meerdere slaande bewegingen maakte richting [slachtoffer 3] zijn hoofd. Ik had mijn linkerhand ter hoogte van de mond van de cliënt. [10] Ik voelde vervolgens dat de cliënt in mijn pols beet. [11]
Een proces-verbaal, betreffende het verhoor van [verdachte] bij de politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Er zijn twee begeleiders door jou geslagen en gebeten. Hoe is dat gebeurd?
A: Ik heb [slachtoffer 3] geslagen. [12]
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 13 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb begeleider Vince [slachtoffer 4] op 25 augustus 2025 in Groesbeek gebeten.
5.3.2
Bewijsoverwegingen
Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte] aangever [slachtoffer 3] heeft geslagen en aangever [slachtoffer 4] in zijn hand heeft gebeten. Het verweer dat de raadsman ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 4] heeft gevoerd, vindt zijn weerlegging in de verklaring van [verdachte] op de zitting en behoeft daarom geen verdere bespreking.

6.Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :
Zaak A (16/333744-24)
feit 3
op of 19 oktober 2024 te Leusden tezamen en in vereniging met anderen,
een hoeveelheid vapes die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en, vergezeld geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk
om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 1] meermalen met kracht te slaan
Zaak B (05/109318-25​​​​​​​)
op 8 april 2025 te Groesbeek [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] in de arm te bijten;
Zaak C (05/230574-25)
op omstreeks 25 augustus 2025 te Groesbeek
- [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] eenmaal tegen het hoofd te slaan en
- [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] te bijten;
De rest van de tekst van de beschuldigingen kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

7.Kwalificatie en strafbaarheid

7.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
Zaak A (16/333744-24)
Feit 3 primair: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Zaak B (05-109318-25)
mishandeling;
Zaak C (05-230574-25)
mishandeling.
7.2
Strafbaarheid feit en verdachte
Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van [medeverdachte 1] opheffen. De feiten zijn strafbaar en [verdachte] is dat ook.

8.Strafoplegging

8.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming, met uitzondering van de voorwaarde die ziet op het telefoongebruik van [verdachte] .
8.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] heeft in zaak A en zaak C verzocht om een onvoorwaardelijke
jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. [verdachte] heeft in het
schorsingskader al 15 maanden ITB Harde Kern gehad, hij is verminderd
toerekeningsvatbaar en er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Om deze
redenen is er geen ruimte meer voor verdere strafoplegging. In zaak B heeft de advocaat
verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht
(schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel). De rechtbank begrijpt het
standpunt van de advocaat aldus dat hij verzoekt om in totaal een onvoorwaardelijke
jeugddetentie van 30 dagen met aftrek van het voorarrest op te leggen, zijnde de tijd die
[verdachte] voor zaak A en C in voorarrest heeft doorgebracht.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval. Hij heeft ingestemd met het plan om het slachtoffer in zijn woning te beroven en is samen met de medeverdachten in een auto naar die woning gereden. Een van de medeverdachten kende het slachtoffer persoonlijk en heeft enige tijd met hem in zijn woning doorgebracht. Nadat hij de deur van de woning had geopend, zogenaamd voor de bezorger van een milkshake, kwamen de andere medeverdachten, waaronder [verdachte] , met bivakmutsen op de woning van het slachtoffer binnen. Het slachtoffer werd geslagen en [verdachte] heeft een hoeveelheid vapes uit zijn woning weggenomen. Een van de medeverdachten had een vuurwapen bij zich en heeft daarmee door de ruit van de voordeur geschoten. Weliswaar is niet gebleken dat [verdachte] wist dat er een vuurwapen zou worden meegenomen en dat daarmee zou worden geschoten, maar door zijn deelname heeft hij een bijdrage geleverd aan het ontstaan van de situatie waarbinnen een medeovervaller het slachtoffer met het vuurwapen kon bedreigen en door de voordeur kon schieten terwijl het slachtoffer daarachter stond. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het slachtoffer daardoor ontzettend is geschrokken en daarvan nog steeds last ondervindt.
Met hun handelen hebben [verdachte] en zijn medeverdachten een grove inbreuk gemaakt op het lichamelijk en geestelijk welzijn van het slachtoffer en een grote minachting gehad voor zijn welzijn en eigendom. Het slachtoffer heeft niet alleen lichamelijk letsel opgelopen, maar ervaart blijkens de toelichting op zijn verzoek tot schadevergoeding ook slaapproblemen en aanhoudende gevoelens van onrust en onveiligheid in zijn eigen woning. Dit is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig zou moeten voelen. [verdachte] heeft op geen enkele manier bij deze verstrekkende gevolgen voor het slachtoffer stilgestaan en zich kennelijk enkel door eigen financieel gewin laten leiden.
Naast de woningoverval heeft [verdachte] zich tweemaal schuldig gemaakt aan mishandeling. Beide mishandelingen vonden plaats in de instelling waar [verdachte] woont en waren gericht tegen medewerkers van de instelling. [verdachte] heeft slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] gebeten en slachtoffer [slachtoffer 3] tegen het hoofd geslagen. De rechtbank vindt het kwalijk dat [verdachte] zich meermaals agressief heeft gedragen richting medewerkers van de instelling, die er juist zijn om hem in zijn dagelijks leven te begeleiden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] . Hieruit blijkt dat hij twee keer eerder is veroordeeld voor in totaal vier mishandelingen en dat hij ten tijde van de ten laste gelegde feiten nog in een proeftijd van een eerdere veroordeling liep.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het persoonlijkheidsonderzoek van 18 maart 2025, uitgebracht door [D] (GZ-psycholoog). Hierin wordt beschreven dat bij [verdachte] sprake is van het 1q21 microdeletie syndroom (genotype). Bij [verdachte] uit dit syndroom zich (onder andere) in een verstandelijke beperking, ADHD, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Volgens de psycholoog waren deze stoornissen ook aanwezig ten tijde van de woningoverval en hebben zij doorgewerkt in de keuzes en gedragingen van [verdachte] ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De psycholoog adviseert de rechtbank daarom om deze feiten verminderd aan [verdachte] toe te rekenen. De psycholoog schat het risico op herhaling van delictgedrag als hoog in. De genetisch afwijkende hersenstructuur van [verdachte] maakt dat hij moeilijk verbanden kan leggen, beïnvloedbaar is en impulsief kan handelen. [verdachte] is geneigd om te doen wat hem wordt opgedragen en zijn gedachten zijn in hoge mate gericht op persoonlijk gewin op de korte termijn. Hij is daarom makkelijk te verleiden tot grensoverschrijdend gedrag en denkt onvoldoende na over de mogelijke gevolgen van dat gedrag voor andere mensen. De psycholoog adviseert om aan [verdachte] een voorwaardelijke jeugddetentie met een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen, die gericht zijn op voortzetting van zijn verblijf bij [instelling] en intensieve dagelijkse begeleiding.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de rapportage van William Schrikker Jeugdbescherming en Reclassering van 1 december 2025, opgesteld door [B] , jeugdreclasseerder. Hierin wordt beschreven dat het verblijf van [verdachte] bij [instelling] over het algemeen positief verloopt. [verdachte] laat zich steeds beter aansturen, heeft een constructieve relatie met zijn persoonlijk begeleider en heeft een passende dagbesteding in de vorm van werk op twee externe locaties. Zorgelijk is dat [verdachte] meerdere keren betrokken is geraakt bij incidenten, met name fysieke escalaties waarbij fixatie door de begeleiding noodzakelijk was. [verdachte] heeft achteraf spijt van deze incidenten en geeft aan dat hij boos wordt wanneer hij door de begeleiding wordt vastgepakt. Gelet op de forse problematiek van [verdachte] en zijn beperkte leerbaarheid, schat de jeugdreclassering het risico op recidive als hoog in. De jeugdreclassering maakt zich vooral zorgen over de denkfouten en beïnvloedbaarheid van [verdachte] , zijn weerstand tegen het wonen bij [instelling] en zijn online activiteiten en contacten. Volgens de jeugdreclassering heeft [verdachte] , ook op langere termijn, een ‘extern geweten’ naast zich nodig dat hem ondersteunt bij dagelijkse activiteiten, structuur en sociale contacten. Ondanks het feit dat [verdachte] zelf liever weg wil bij [instelling] , is de jeugdreclasseerder van mening dat het huidige begeleidingskader van [instelling] voortgezet moet worden om herhaling van delictgedrag zoveel mogelijk te voorkomen.
De rechtbank heeft tot slot rekening gehouden met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 februari 2026, opgesteld door [E] , kernfunctionaris. Hierin wordt beschreven dat [verdachte] meer zelfstandigheid in zijn dagelijks leven wil, terwijl de deskundigen een langdurig kader van hand-in-handbegeleiding noodzakelijk vinden. Net als de psycholoog en de jeugdreclassering schat de Raad het risico op recidive als hoog in. Gelet op de ernst van de tenlastegelegde feiten, de complexe problematiek van [verdachte] en het hoge recidiverisico, dient volgens de Raad zorgvuldig onderzocht te worden of een PIJ-maatregel passend zou zijn. De Raad adviseert daarom primair om de behandeling van de zaak aan te houden, zodat er een dubbel persoonlijkheidsonderzoek (onderzoek door een psycholoog en een psychiater) kan worden verricht waarin bezien wordt of een PIJ-maatregel passend en effectief zou kunnen zijn. Voor het geval de rechtbank niet tot aanhouding van de zaak beslist, adviseert de Raad om een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. De Raad benadrukt dat zij een onvoorwaardelijke jeugddetentie die langer is dan de duur van het voorarrest niet passend vindt, omdat de verwachting is dat [verdachte] binnen detentie zal verharden en negatief beïnvloed zal worden door andere delinquente jongeren. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden geeft de Raad aan dat zij, net als de jeugdreclasseerder, een strak kader van toezicht en begeleiding noodzakelijk vindt. Geadviseerd wordt om aan de voorwaardelijke werkstraf de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden:
I. Begeleiding door de jeugdreclassering in de vorm van de maatregel Toezicht en Begeleiding, waarvan de eerste 6 maanden in het kader van ITB Harde Kern;
II. Verblijf binnen [instelling] en medewerking aan het dagprogramma aldaar, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
III. Naleving van de verlofafspraken, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
IV. Inzage geven in zijn telefoon en naleving van de regels rondom het telefoongebruik, voor zover en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.
Het advies van de Raad tot aanhouding van de zaak
Ten aanzien van het advies van de Raad om de behandeling van de zaak aan te houden ten behoeve van een aanvullend persoonlijkheidsonderzoek, overweegt de rechtbank als volgt. Net als de officier van justitie en de advocaat van [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat het niet passend is om de behandeling van de zaak aan te houden. Aanleiding voor het verzoek van de Raad lijkt te zijn dat [verdachte] binnen [instelling] meerdere malen fysiek agressief gedrag heeft vertoond. Het is duidelijk dat de agressieproblematiek van [verdachte] een grote uitdaging voor [instelling] vormt en de rechtbank begrijpt dat dit de begeleiding van [verdachte] bemoeilijkt. Tegelijkertijd ziet de rechtbank niet in hoe behandeling binnen een PIJ-maatregel de gewenste verandering in het gedrag van [verdachte] teweeg zou kunnen brengen. In haar rapport schrijft de psycholoog dat zij een PIJ-maatregel heeft overwogen, maar dit niet de juiste weg lijkt te zijn omdat [verdachte] dan in een verhard leefklimaat terecht zou komen, terwijl dit vanwege zijn kwetsbaarheid, beïnvloedbaarheid en beperkte leerbaarheid niet wenselijk is. De Raad spreekt in haar advies zelf ook de vrees uit dat [verdachte] mogelijk binnen een PIJ-kader kan blijven ‘hangen’, omdat de verwachting is dat hij vanwege zijn persoonlijke problematiek geen of te weinig verbetering zal laten zien. Gelet op het vorengaande zal de rechtbank, conform het verzoek van de officier van justitie en de advocaat, niet tot aanhouding besluiten, maar de zaak afdoen en een straf opleggen.
Jeugdstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] ten tijde van zaak A en B 17 jaar en ten tijde van zaak C 18 jaar was. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om verdachten tussen de 18 en de 23 jaar te berechten volgens het jeugdstrafrecht, als de rechtbank daar grond voor ziet in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Gelet op de complexe problematiek van [verdachte] zoals blijkend uit de rapportages, is de rechtbank met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat het passend is om ook in zaak C het jeugdstrafrecht toe te passen. [verdachte] zal voor alle drie de zaken één straf krijgen, gebaseerd op de uitgangspunten en wetsbepalingen van het jeugdstrafrecht.
Verminderde toerekenbaarheid
De rechtbank neemt het advies van de psycholoog om de diefstal met geweld verminderd aan [verdachte] toe te rekenen over en houdt daar bij de strafoplegging rekening mee.
Jeugddetentie
Gelet op het aantal, de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank de oplegging van een jeugddetentie aan de orde. Ten aanzien van de duur van de op te leggen jeugddetentie overweegt de rechtbank het volgende. In de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS voor minderjarigen wordt voor een woningoverval een jeugddetentie vanaf zes maanden als uitgangspunt gegeven. Voor een mishandeling wordt een taakstraf van tussen de 20 en 40 uur als uitgangspunt gegeven. De rechtbank heeft in strafverzwarende zin meegewogen dat er ten aanzien van de mishandelingen sprake is van recidive. Desondanks ziet de rechtbank aanleiding om in het voordeel van [verdachte] af te wijken van de straffen die in de oriëntatiepunten worden genoemd. De rechtbank weegt mee dat [verdachte] vanwege zijn psychische problematiek verminderd toerekeningsvatbaar is en dat een verhard justitieel kader volgens alle deskundigen een negatieve invloed zal hebben op zijn gedrag en verdere ontwikkeling. De rechtbank heeft deze verwachting ook en weegt verder in het voordeel van [verdachte] mee dat er in zaak A sprake is van een (geringe) overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op het vorengaande ziet de rechtbank aanleiding om [verdachte] een jeugddetentie op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het aantal dagen dat hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De op te leggen jeugddetentie zal daarnaast een voorwaardelijk deel behelzen. Het doel hiervan is om intensieve begeleiding van [verdachte] mogelijk te maken en hem te ontmoedigen om zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles afwegende zal aan [verdachte] een jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zullen de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, behalve de laatste voorwaarde met betrekking tot het telefoongebruik van [verdachte] . De rechtbank zal deze voorwaarde niet stellen omdat de jeugdreclasseerder op de zitting heeft aangegeven dat er binnen [instelling] al voldoende en passende maatregelen kunnen worden genomen om te voorkomen dat [verdachte] zijn telefoon voor verkeerde doeleinden gebruikt. Ten aanzien van de tweede voorwaarde betreffende het verblijf binnen [instelling] zal de rechtbank bepalen dat [verdachte] binnen [instelling] of een soortgelijke instelling dient te verblijven, voor het geval het verblijf van [verdachte] bij [instelling] om wat voor reden dan ook tot een einde komt. De rechtbank zal in de bijzondere voorwaarden tevens een contactverbod met het slachtoffer en contactverboden met de medeverdachten opnemen. Deze contactverboden maakten namelijk ook deel uit van de schorsingsvoorwaarden en de rechtbank is van oordeel dat deze contactverboden voortgezet moeten worden om [verdachte] te beschermen en recidive te voorkomen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de recidive van [verdachte] en de inschatting dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 77z Wetboek van Strafrecht, dat de in het dictum gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, direct na de uitspraak ingaan.
Voorlopige hechtenis
Nu de op te leggen jeugddetentie in duur gelijk is aan de tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

9.In beslag genomen voorwerpen

9.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om te bepalen dat de doos met vapes en de vapes worden teruggeven aan de rechtmatige eigenaar en dat de hennep wordt onttrokken aan het verkeer.
9.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
9.3
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de doos met vapes en de vapes zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten. De rechtbank zal de hennep onttrekken aan het verkeer, omdat dit voorwerp van een zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

10.Vorderingen benadeelde partij

10.1
Zaak A
10.1.1
Voeging benadeelde partij
[slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij vordert een bedrag van
€ 9.535,-, bestaande uit € 35,- materiële schade en € 9.500,- immateriële schade, als gevolg van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. Hij vordert daarbij ook de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot volledige en hoofdelijke toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.1.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] heeft geen verweer gevoerd tegen de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij primair verzocht om deze niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, omdat het lichamelijk en het geestelijk letsel onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair heeft hij verzocht om het schadebedrag te matigen tot € 3.000,-.
10.1.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De materiële schade heeft betrekking op één dag ziekenhuisdaggeldvergoeding. Dit onderdeel van de vordering is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Immateriële schade
Op grond van art. 6:106 BW Pro is vergoeding van immateriële schade onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of ‘op andere wijze is zijn persoon is aangetast.’
Uit het dossier en toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in ieder geval aan zijn oogkas, rug en bovenlip. In de toelichting op de vordering wordt gesteld dat de benadeelde daarnaast ernstig psychisch letsel heeft opgelopen. Deze stelling is niet onderbouwd met verklaringen van bijvoorbeeld een huisarts of psycholoog. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit mag echter verondersteld worden dat het slachtoffer in ieder geval enig geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op het vorengaande zal de rechtbank het immateriële deel van de vordering gedeeltelijk toewijzen.
Voor de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft rechtbank aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als een hulpmiddel bij de billijkheidsafweging.
De rechtbank heeft gekeken naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Uit categorie 19.1 blijkt dat, in het geval van een overval in de woning van de benadeelde, een bedrag tussen de € 3.000,- en € 8.000,- passend wordt gevonden. Vanwege de beperkte onderbouwing van met name het geestelijk letsel, ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om aan de onderkant van de genoemde bandbreedte te gaan zitten. Omdat er ook sprake is van lichamelijk letsel, komt de rechtbank wel tot een iets hoger bedrag dan de ondergrens van € 3.000,-.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.500,- billijk is. De rechtbank wijst het immateriële deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe en verklaart het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente en hoofdelijkheid
De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.535,-, inclusief de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling. De vordering zal hoofdelijk worden toegewezen. Hiermee wordt bedoeld dat elke verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is en van zijn vergoedingsplicht is bevrijd voor zover een van de medeverdachten heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dit betekent (kort gezegd) dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag dat [verdachte] op grond van de schadevergoedingsmaatregel moet betalen, heeft de rechtbank gekeken naar het aandeel van [verdachte] in het veroorzaken van de door de benadeelde geleden schade. Dit om te voorkomen dat een groot deel van de schade op één van de (mede)verdachten wordt verhaald, terwijl ieder een eigen aandeel in het veroorzaken van de schade heeft gehad. De rechtbank vindt een schadebedrag van €1.500,- billijk en bepaalt dat [verdachte] dit bedrag aan de Staat moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierboven vermeld. De betaling die door [verdachte] aan de Staat is gedaan, wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Omdat [verdachte] ten tijde van het bewezenverklaarde feit minderjarig was, zal er bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskosten
[verdachte] zal tot slot worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
10.2
Zaak C
10.2.1
Voeging benadeelde partijen
[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij vordert een bedrag van € 750,- bestaande uit immateriële schade als gevolg van het aan [verdachte] ten laste gelegde.
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij vordert een bedrag van € 272,- bestaande uit materiële schade als gevolg van het aan [verdachte] ten laste gelegde.
10.2.2
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] concludeert de officier van justitie tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van [slachtoffer 3] omdat deze onvoldoende onderbouwd is.
10.2.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] verzoekt om de vordering van [slachtoffer 4] toe te wijzen tot € 150,- en om de vordering van [slachtoffer 3] af te wijzen omdat deze onvoldoende onderbouwd is.
10.2.4
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van [slachtoffer 4]
De benadeelde partij vordert € 750,- aan immateriële schade voor het letsel aan zijn arm (de bijtwond). De rechtbank is van oordeel dat de schade voldoende onderbouwd is en een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde mishandeling. Daarom komt de schade in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank ziet wel aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen, gelet op de vergoedingen in vergelijkbare zaken. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 250,-, inclusief de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van volledige voldoening. Het resterende deel zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
De vordering van [slachtoffer 3]
De benadeelde partij vordert € 272,- voor de vergoeding van een horloge. Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat dit horloge beschadigd is geraakt als gevolg van het aan [verdachte] ten laste gelegde feit. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde in zijn aangifte van 25 augustus 2025 ook direct melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat zijn horloge kapot was gegaan. Gelet hierop vindt de rechtbank de schade en het verband met de bewezenverklaarde mishandeling voldoende aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevraagde schadebedrag niet onderbouwd is met bijvoorbeeld een factuur of aankoopbon op basis waarvan de waarde van het horloge kan worden vastgesteld. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het schadebedrag vaststellen op € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van volledige voldoening. Het resterende deel zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
Schadevergoedingsmaatregelen
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 4] de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Ten behoeve van [slachtoffer 3] zal de rechtbank de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling. De betalingen die door [verdachte] aan de Staat worden gedaan, worden op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen. Omdat het jeugdstrafrecht wordt toegepast, zal er bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskosten
[verdachte] zal tot slot worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

11.Vordering tot tenuitvoerlegging

11.1
Eerdere veroordeling
Op 20 september 2024 is [verdachte] door de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, in de
zaak met parketnummer 05/184123-24, veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de
vorm van een werkstraf voor de duur van 20 uren.
11.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de voorwaardelijk opgelegde taakstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
11.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair om de proeftijd bij de voorwaardelijke veroordeling te verlengen.
11.4
Het oordeel van de rechtbank
[verdachte] heeft de algemene voorwaarde bij zijn voorwaardelijke veroordeling geschonden door zich binnen de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Gelet hierop komt de vordering van de officier van justitie in beginsel voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken en vindt het, mede vanuit pedagogisch oogpunt, ook van belang dat [verdachte] ondervindt dat overtreding van de voorwaarden gevolgen heeft. De vordering van de officier van justitie zal daarom worden toegewezen. Dit betekent dat [verdachte] , in aanvulling op de strafoplegging in de hoofdzaak, een taakstraf van 20 uur moet verrichten, te vervangen door 10 dagen jeugddetentie wanneer hij deze niet of niet naar behoren verricht.

12.De beslissing

Vrijspraak
- verklaart het in 16/333744-24 onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het in 16/333744-24 onder 3 ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 6 is omschreven;
- verklaart bewezen dat de verdachte het in 05/109318-25 laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 6 is omschreven;
- verklaart bewezen dat de verdachte het in 05/230574-25 laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 6 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldigingen staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 7 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het in paragraaf 6 bewezenverklaarde;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 120 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat
van de jeugddetentie een gedeelte van 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd (het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie is dus gelijk aan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zodat verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis);
- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;
- stelt als
algemene voorwaardendat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
* zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding, waarvan de eerste
6 maanden in het kader van ITB Harde Kern houdt aan de aanwijzingen van De Jeugd- en Gezinsbeschermers en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
* verblijft binnen [instelling] of een soortgelijke instelling en zich houdt aan het dagprogramma aldaar, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
* zich houdt aan verlofafspraken, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
* op geen enkele wijze ook niet via derden contact zoekt, heeft of onderhoudt met het slachtoffer, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1993). De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
* op geen enkele wijze ook niet via derden contact zoekt, heeft of onderhoudt met:
 [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum] 2007);
 [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum] 2006);
 [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum] 2006);
 [medeverdachte 4] (geboren op [geboortedatum] 2008);
De politie ziet toe op handhaving van deze contactverboden.
- geeft aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, behalve de contactverboden, en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering
dadelijk uitvoerbaar zijn;
Beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: 2 STK verdovende middelen, hennep (G3422360);
- gelast de teruggave aan de rechthebbende (zijnde [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1993) van de volgende voorwerpen:
 1 STK rookwaar, doos vapes (G3422358);
 1 STK rookwaar, vapes (G3557109).
Benadeelde partij [slachtoffer 1] (16/333744-24, feit 3)
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 3.535,-, waarvan een bedrag van € 35,- voor materiële schade en een bedrag van € 3.500,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] ;
- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.500,- te betalen, zijnde het door de rechtbank bepaalde aandeel van verdachte in de schade (om te voorkomen dat een groot deel van de schade op één van de (mede)verdachten wordt verhaald, terwijl ieder een eigen aandeel in het veroorzaken van de schade heeft gehad), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten, door [slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [slachtoffer 4] (05/230574-25)
- wijst de vordering van [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 250,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] ;
- verklaart [slachtoffer 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 250,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt verdachte in de kosten door [slachtoffer 4] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [slachtoffer 3] (05/230574-25)
- wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 150,- voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] ;
- verklaart [slachtoffer 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 150,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt verdachte in de kosten door [slachtoffer 3] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;
Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in de rechtbank Gelderland bij vonnis van 20 september 2024 opgelegde voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 20 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 10 dagen hechtenis;
Voorlopige hechtenis
- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen, voorzitter tevens kinderrechter,
mr. N.M.H. van Ek en mr. S.T. Könning, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van
mr. B.J. Molals griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Bijlage: de tenlasteleggingen
Zaak A (16-333744-24)
Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
[slachtoffer 1]
opzettelijk
van het leven te beroven,
- met (een) vuurwapen(s) naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 1] heeft doorgeladen en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 1] heeft geschoten in/tegen het
lichaam van die [slachtoffer 1] en/of in de richting van die [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,
door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 1] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 1] te schieten in/tegen het lichaam
van die [slachtoffer 1] en/of in de richting van die [slachtoffer 1] ;
3
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van
geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk
om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer 1] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de
voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen
menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer 1] te schieten in/tegen het lichaam
van die [slachtoffer 1] en/of in de richting van die [slachtoffer 1]
- die [slachtoffer 1] meermalen (met kracht) te slaan en/of te schoppen;
Zaak B (05-109318-25​​​​​​​)
Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 april 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] een of meermaals te
slaan en/of in de arm te bijten;
Zaak C (05-230574-25)
Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 augustus 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal
- [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] meermaals, althans eenmaal op/tegen
het hoofd te slaan en/of
- [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] te bijten;

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PLO900-2024153986, pagina 1 tot en met 32. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
2.P. 87 PV VGL.
3.P. 88 PV VGL.
4.P. 89 PV VGL.
5.P. 339 PV VGL.
6.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 250408-1897, pagina 1 tot en met 32. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
7.P. 6.
8.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 250825-2256-586, pagina 1 tot en met 44. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
9.P. 5.
10.P. 7.
11.P. 8.
12.P. 42.