ECLI:NL:RBMNE:2026:949

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/6102
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 WooArt. 4:6 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring Woo-verzoeken door college Montfoort

Eiser diende op 8 en 11 januari 2024 twee verzoeken om informatie in bij het college van burgemeester en wethouders van Montfoort op grond van de Wet open overheid (Woo). Het college wees deze verzoeken af in één besluit van 12 februari 2024, omdat het verzoeken betrof die volgens het college geen Woo-verzoeken waren, maar enkel informatievragen. Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk in een besluit van 14 augustus 2024.

Eiser stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard voor het verzoek van 8 januari 2024, omdat dit wel degelijk een herhaald Woo-verzoek betrof waarop een besluit was genomen. Voor het verzoek van 11 januari 2024 oordeelde de rechtbank dat dit geen Woo-verzoek was, omdat het verzoek meer een juridische uitleg en bewijslevering betrof die niet onder de Woo valt.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het betrekking had op het verzoek van 8 januari 2024 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Voor het verzoek van 11 januari 2024 werd het beroep ongegrond verklaard. Het college moet het betaalde griffierecht aan eiser terugbetalen. De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler op 4 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor het Woo-verzoek van 8 januari 2024 en ongegrond voor het verzoek van 11 januari 2024; het bestreden besluit wordt deels vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6102

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort,het college,
(gemachtigde: mr. S. de Boer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het college om zijn bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Dat bezwaar was gericht tegen het besluit van het college op twee verzoeken om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). De verzoeken zijn in één besluit behandeld. Het college vindt de verzoeken geen Woo-verzoek, maar enkel een vraag om informatie. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 januari 2024 en 11 januari 2024 een verzoek om informatie op grond van de Woo ingediend bij het college. Het college heeft de verzoeken met het besluit van 12 februari 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit van 12 februari 2024 vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. Eiser heeft op 8 januari 2024 en 11 januari 2024 een verzoek om informatie op grond van de Woo ingediend bij het college. Het college heeft ter zitting uitgelegd dat deze verzoeken over dezelfde situatie gaan en dat de verzoeken om die reden in één gezamenlijk besluit van 12 februari 2024 zijn beantwoord. Het college is in dat besluit tot de conclusie gekomen dat het gaat om een herhaling van een eerder ingediend verzoek, op 17 december 2022, en dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Het verzoek is daarom op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afgewezen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit – op het Woo-verzoek van 17 december 2022 - van 9 februari 2023.
4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 12 februari 2024, omdat hij van mening is dat het geen herhaalde verzoeken betreffen. Het college heeft in het bestreden besluit van 14 augustus 2024, het besluit van 12 februari 2024 ingetrokken als zijnde een besluit, maar wel laten gelden als een niet-appellabele reactie op de informatieverzoeken en het bezwaar van eiser om die reden niet-ontvankelijk verklaard. In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat de verzoeken van 8 en 11 januari 2024 geen Woo-verzoeken zijn, zodat de reactie daarop ook geen (appelabel) besluit kan zijn.
Om welke informatie heeft eiser verzocht in het verzoek van 17 december 2022?
5. In het verzoek van 17 december 2022 op grond van de Woo heeft eiser uit het proces-verbaal van de zitting op 23 augustus 2022 bij het Gerechtshof te Arnhem de volgende passage geciteerd:
‘’ [A] : Ik denk niet dat we eruit waren gekomen. Recent hebben wij een verzoek ontvangen van een eigenaar van een perceel die de Raad verzocht het perceel openbaar te maken. Als de Raad akkoord gaat, gaat het onderhoud ook naar Gemeente Montfoort. Wat [eiser] schetst over de kosten, is op een hele simpele manier te voorkomen en dat hebben wij ook gedaan.’’
Deze uitlating is gedaan namens het college en eiser verzoekt naar aanleiding daarvan:
‘’mij te informeren welke zaak dit betreft en mij het betreffende besluit B&W, besluit Raad en de (concept of gesloten) overeenkomst te overleggen.’’
Op dit verzoek is afwijzend besloten. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
Om welke informatie heeft eiser in deze zaak verzocht?
Het verzoek van 8 januari 2024
6. Eiser heeft in zijn verzoek de volgende passage geciteerd uit een proces-verbaal van de zitting op 23 augustus 2022 bij het Gerechtshof te Arnhem:
‘’ [A] : Ik denk niet dat we eruit waren gekomen. Recent hebben wij een verzoek ontvangen van een eigenaar van een perceel die de Raad verzocht het perceel openbaar te maken. Als de Raad akkoord gaat, gaat het onderhoud ook naar Gemeente Montfoort. Wat [eiser] schetst over de kosten, is op een hele simpele manier te voorkomen en dat hebben wij ook gedaan.’’
Deze uitlating is gedaan namens het college en eiser verzoekt naar aanleiding daarvan:
‘’hem te informeren welke zaak dit betreft en het betreffende besluit B&W, besluit Raad en de (concept of gesloten) (anterieure) overeenkomst te overleggen.’’.
Daarbij geeft eiser de volgende toelichting:
‘’ [B] moest achter zijn appartementen [straat 1] aanvankelijk zorgen voor openbare parkeerplaatsen, wethouder [C] had zich vergist, liep voor hem goed af. [D] heeft recent vergunning gekregen voor 8 appartementen en 12 pp op eigen terrein, Gemeente legt tegenover in de [straat 2] 30 parkeerplaatsen aan.’’.
Het verzoek van 11 januari 2024
7. In een e-mail van eiser aan het college, van 27 december 2023, citeert eiser ook passages uit een proces-verbaal van de zitting van 23 augustus 2022 bij het Gerechtshof te Arnhem en daarbij ook passages uit de pleitnota van de gemachtigde van het college in dat proces. Eiser sluit zijn e-mail af met de volgende vraag:
‘’ Tegen deze achtergrond vernemen wij graag van u, van mevr, [A] en mevr. [E] , hoe de gemeente bij de vergunningverlening een voorwaarde - openbaar - op een juridisch afdwingbare wijze wél vorm had kunnen geven.’’.
Op 11 januari 2024 dient eiser een verzoek in op grond van de Woo, met verwijzing naar bovenstaande e-mail van 27 december 2023. Het verzoek luidt als volgt:
‘’Onderstaand verzoek herhaal ik hier, nu als WOO-verzoek, met verzoek mij de bewijsdocumenten te leveren waar mevr, [A] steeds een beroep op doet.’’
Is er sprake van een Woo-verzoek?
Eiser stelt dat het college zijn Woo-verzoeken ten onrechte als informatieverzoeken, niet zijnde Woo-verzoeken, heeft aangemerkt. Zijn bezwaar is volgens eiser daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard met het bestreden besluit. Het verzoek van 8 januari 2024 was namelijk wel degelijk (een herhaald) Woo-verzoek waarop ook een besluit is genomen waartegen bezwaar open stond. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van 11 januari 2024 geen verzoek is in de zin van artikel 4.1 van de Woo. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn. Vooropgesteld moet worden dat het hier gaat om één primair besluit en één bestreden besluit, terwijl het gaat om twee afzonderlijke en niet gelijkluidende verzoeken. In feite bestaan het primaire besluit en het bestreden besluit dan ook telkens uit twee besluiten. De rechtbank zal de zaak dan ook beoordelen per verzoek.
Het verzoek van 8 januari 20249. In het verweerschrift van het college is er op gewezen dat de aanvraag van 8 januari 2024 een herhaalde (Woo-)aanvraag betreft. Daarmee lijkt het college te erkennen dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is gemotiveerd, omdat daarin uiteen is gezet dat geen sprake was van een verzoek in de zin van de Woo. Ter zitting daarnaar gevraagd is hier geen helder antwoord op gekomen van het college. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van 8 januari 2024 wel een verzoek is in de zin van de Woo. Eiser vraagt in dit verzoek immers om documenten en informatie die betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid. Omdat dit in het bestreden besluit is miskend, is eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank gaat hierna in op de vraag welke gevolgen dit heeft.
10. Ter zitting is gevraagd naar een reactie op de vraag of het verzoek van 8 januari 2024 een herhaald verzoek betreft, zoals het college in het primaire besluit had overwogen. Eiser stelt dat geen sprake is van een herhaald verzoek, omdat bij het verzoek van 8 januari 2024 een extra toelichting zit en hij bij de beslissing op zijn verzoek van 17 december 2022 geen antwoord heeft gekregen op zijn vraag uit het verzoek van 8 januari 2024. Het college heeft ter zitting naar haar verweerschrift verwezen, waarin staat dat zowel het verzoek van 8 januari 2024 als het verzoek van 11 januari 2024 herhaalde verzoeken zijn, omdat zij beide op dezelfde situatie zien als de situatie in het verzoek van 17 december 2022.
11. Het college kan ervoor kiezen om, als er volgens het college geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit. Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen.
12. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in het primaire besluit en het verweerschrift terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een herhaalde aanvraag en het verzoek om die reden terecht is afgewezen. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat eiser nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd bij zijn Woo-verzoek van 8 januari 2024, terwijl het (relevante deel van het) verzoek letterlijk gelijkluidend is aan het eerder gedane verzoek. Dat eiser een alinea aan zijn verzoek van 8 januari heeft toegevoegd, maakt dit oordeel niet anders, nu in die alinea geen ander of nieuw verzoek valt te lezen.
13. Dit betekent dat het bezwaar van eiser – ten aanzien van het verzoek van 8 januari 2024 - ongegrond verklaard had moeten worden in plaats van niet-ontvankelijk. In zoverre kan de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond is, voor zover het betrekking heeft op de aanvraag van 8 januari 2024.
Het verzoek van 11 januari 2024
14. De rechtbank volgt het college niet in haar standpunt dat het verzoek van 11 januari 2024 ook aangemerkt dient te worden als herhaald verzoek van het verzoek van 17 december 2022. In het verzoek van 8 januari 2024 vraagt eiser namelijk om onderliggende stukken met betrekking tot een ter zitting ingenomen stelling van het college en in het verzoek van 11 januari 2024 wordt gevraagd naar de visie van het college op een bepaald punt. Hoewel het in beide verzoeken om min of meer dezelfde situatie draait, is de aard en inhoud van het verzoek van 11 januari 2024 niet gelijk aan die van het verzoek van 17 december 2022 c.q. 8 januari 2024. Dit stelt de rechtbank voor de vraag hoe het college had moeten reageren op het verzoek van 11 januari 2024.
14. Naar het oordeel van de rechtbank kan het verzoek van 11 januari 2024 niet worden beschouwd als een verzoek in de zin van de Woo. De rechtbank is het ten aanzien van dit verzoek dan ook eens met de inhoudelijke motivering van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
16. Uit de aard en inhoud van het verzoek en de uitlatingen die naar aanleiding daarvan zijn gedaan
,blijkt dat eiser niet heeft beoogd een Woo-verzoek in te dienen. Enerzijds vraagt eiser om een juridische uitleg en zo’n verzoek valt niet onder de Woo, wat maakt dat daarop niet gereageerd hoeft te worden met een (appelabel) besluit. Anderzijds verzoekt eiser om aan hem bewijsdocumenten te leveren ‘waarop mevrouw [A] steeds een beroep doet tijdens de zitting van 23 augustus 2022 bij het Gerechtshof te Arnhem’, terwijl hij zelf stelt dat die documenten niet bestaan. In eisers beroepschrift staat hierover ook
: “Met het WOO-verzoek wilde ik de gemeente kleur laten bekennen, of zij overleggen bewijsstukken van vergelijkbare situaties (zijn er dus niet) en zij erkennen dat de rechters (bij uw Rechtbank NL19:6438 en Hof Arnhem 200.283.818) op het verkeerde been zijn gezet, misleid met de valselijk afgelegde verklaringen hieromtrent.”
17. Het college is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een Woo-verzoek. Een reactie op dit verzoek is dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wat betekent dat hiertegen geen bezwaar en beroep kan worden ingediend. Het beroep is daarom ongegrond voor zover het ziet op de reactie(s) van het college op het verzoek van 11 januari 2024.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond voor zover het ziet op het verzoek van 8 januari 2024. Het bestreden besluit wordt in zoverre vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak met betrekking tot het verzoek van 8 januari 2024 door het bezwaar ongegrond te verklaren. Het beroep wordt ongegrond verklaard voor zover het ziet op het verzoek van 11 januari 2024, omdat dat geen verzoek in de zin van de Woo betreft.
18. Het beroep is dus ten dele gegrond. Dat betekent dat het college het griffierecht van €187,- aan eiser moet terugbetalen. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die in aanmerking komen voor een vergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
ten aanzien van het verzoek van 8 januari 2024:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 14 augustus 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden;
ten aanzien van het verzoek van 11 januari 2024:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
De griffier is buiten staat
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.