ECLI:NL:RBMNE:2026:95
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duur uitzendovereenkomst en transitievergoeding bij beëindiging na één week
De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen verzoeker en verweerster over de duur van een uitzendovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechten. Verzoeker trad op 30 juni 2025 in dienst bij verweerster op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd, die volgens de overeenkomst voor één week was aangegaan met een mogelijke stilzwijgende verlenging van vier weken. Verzoeker vorderde loon, schadevergoeding, een billijke vergoeding en verstrekking van documenten.
De kantonrechter stelde vast dat de overeenkomst duidelijk was aangegaan voor één week en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een verlenging of een overeenkomst van drie maanden. Het telefoongesprek dat verzoeker als bewijs aanvoerde, bood onvoldoende aanwijzingen dat verweerster een langere duur had toegezegd. Verweerster had de overeenkomst niet voortijdig opgezegd, waardoor deze van rechtswege eindigde na één week.
Verzoeker had recht op loon over de daadwerkelijk gewerkte dagen en een transitievergoeding van €13,00 bruto, maar niet op een gefixeerde schadevergoeding of billijke vergoeding. De vordering tot oplegging van dwangsommen werd afgewezen. Verweerster werd veroordeeld tot het verstrekken van de uitzendbevestiging. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van een transitievergoeding en verstrekking van de uitzendbevestiging, wijst overige vorderingen af en compenseert de proceskosten.