ECLI:NL:RBMNE:2026:953

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/7344
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering VOG-aanvraag voor zzp’er in de zorg

Verzoeker diende op 8 juli 2025 een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) om als zzp’er in de zorg opdrachten te kunnen aannemen. De staatssecretaris wees deze aanvraag op 21 november 2025 af vanwege strafrechtelijke antecedenten en een lopende proeftijd. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna hij een voorlopige voorziening verzocht.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 3 februari 2026 en concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De staatssecretaris mocht uitgaan van het door de werkgever gekozen screeningsprofiel en risicogebieden, die niet evident onjuist waren. Verzoeker had niet aannemelijk gemaakt dat het profiel onjuist was toegepast.

Hoewel verzoeker een spoedeisend belang aannemelijk maakte, woog de voorzieningenrechter het belang van de samenleving bij bescherming tegen het objectief vastgestelde risico zwaarder dan de persoonlijke belangen van verzoeker. De strafrechtelijke antecedenten, waaronder veroordelingen voor drugshandel en het niet meewerken aan een bloedonderzoek, en de lopende proeftijd, rechtvaardigen de weigering van de VOG. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG-aanvraag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7344
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. J. van der Wouden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft op 8 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG, om opdrachten aan te kunnen nemen als zzp’er in de zorg.
1.2.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit waartegen bezwaar is gemaakt zodanig gebrekkig is dat het in heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter zal daarom allereerst beoordelen of de bezwaargronden van verzoeker een redelijke kans van slagen hebben.
3.1.
De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de staatssecretaris die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoeker.
Spoedeisend belang
4. In een voorlopige voorziening dient de voorzieningenrechter altijd eerst te kijken naar het spoedeisend belang. Verzoeker heeft hierover toegelicht dat hij vanaf 21 januari 2026 op non-actief is gezet door zijn bemiddelingsbureau, vanwege het ontbreken van een VOG. Verzoeker heeft aangegeven dat hij bijna volledig afhankelijk is van het inkomen dat hij verkrijgt uit de opdrachten van [bemiddelingsbureau] , welke worden verstrekt door dit bemiddelingsbureau en waarvoor hij deze VOG nodig heeft. Volgens de staatssecretaris heeft verzoeker nog een lopende aanvraag voor een VOG voor werkzaamheden bij/via [bemiddelingsbureau] . De voorzieningenrechter ziet daarin echter onvoldoende reden om eraan te twijfelen dat de VOG waar het in deze procedure over gaat, ziet op de huidige werkzaamheden van verzoeker. Verder moet verzoeker ook een VOG aanvragen voor de stage die hij moet lopen vanwege zijn opleiding. Hoewel dat niet gaat over dezelfde VOG als in deze procedure, begrijpt de voorzieningenrechter wel dat verzoeker de VOG voor zijn stage, in afwachting van deze uitspraak, nog niet heeft aangevraagd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van spoedeisend belang.
Het screeningsprofiel
5. Bij de aanvraag van de VOG is door de opdrachtgever van verzoeker het algemene screeningprofiel van toepassing verklaard met de risicogebieden: informatie, geld, goederen, diensten, proces en personen. De staatssecretaris heeft dit niet als evident onjuist gezien en heeft de aanvraag van verzoeker dan ook beoordeeld aan de hand van dit screeningsprofiel en de genoemde risicogebieden.
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris ervan kunnen uitgaan dat de aanvrager van de VOG geen evidente fouten heeft gemaakt bij de aangevinkte risicogebieden. Het is namelijk primair aan de werkgever om te bepalen welk screenings- en risicoprofiel voor de functie van toepassing is, omdat deze het beste zicht heeft op de risicogebieden voor de functie. Verzoeker had met zijn werkgever in gesprek kunnen gaan om te bespreken of het door hem gewenste screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ toegepast kon of had moeten worden, maar dit heeft hij niet gedaan. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkgever een onjuist screeningsprofiel heeft aangekruist. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het risicogebied ‘proces’ niet evident onjuist is. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij nooit eerder cliënten heeft moeten vervoeren en dit in de toekomst ook niet zal doen. De voorzieningenrechter volgt dit betoog echter niet. In de door verzoeker verstrekte overeenkomst van opdracht staat namelijk dat de dagbesteding onder een van zijn taken valt. Het vervoeren van cliënten kan hiervan een onderdeel zijn. De overeenkomst van opdracht sluit het vervoer van cliënten dus niet uit. Dat verzoeker tot dusver geen cliënten heeft vervoerd, betekent ook niet dat hij dit in de toekomst niet zal doen. De staatssecretaris mag dan ook uitgaan van het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden: informatie, geld, goederen, diensten, proces en personen.
Het objectieve en het subjectieve criterium
7. Bij het beoordelen van een VOG kijkt de staatssecretaris eerst naar het objectieve criterium. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet wordt betwist dat hieraan is voldaan. Het staat vast dat verzoeker strafrechtelijk is veroordeeld binnen de terugkijktermijn en de staatssecretaris heeft duidelijk uitgelegd wat de risico’s zijn als de strafbare feiten worden herhaald in deze functie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat als verzoeker opdrachten aanneemt als zzp’er in de zorg, de strafbare feiten een risico vormen voor de goede vervulling van de opdrachten en de mogelijk kwetsbare cliënten waarmee verzoeker dan zou komen te werken. Verzoeker heeft ook erkend dat aan het objectieve criterium is voldaan.
8. Als er wordt voldaan aan het objectieve criterium, wordt de VOG in beginsel geweigerd. In de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 is uitgewerkt dat, indien er voldaan is aan het objectieve criterium, ook nog gekeken moet worden naar het subjectieve criterium. Daarbij gaat het erom of de feiten en omstandigheden ertoe leiden dat er alsnog een VOG afgegeven moet worden. Er wordt dan gekeken naar de afdoening van de strafzaak, de antecedenten, het tijdsverloop daarvan tot de aanvraag en verzoekers persoonlijke belangen bij het verkrijgen van een VOG.
8.1.
Over de afdoening van de strafzaak, geldt dat verzoeker op 10 september 2024 is veroordeeld wegens drugshandel en omdat hij als bestuurder niet heeft willen meewerken aan een bloedonderzoek. Op 16 april 2025 is verzoeker veroordeeld wegens twee gevallen van het aanwezig hebben van drugs. Deze feiten zijn, onder andere, afgedaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een gevangenisstraf is de zwaarste straf die een strafrechter kan opleggen, wat maakt dat de staatssecretaris hier een groot gewicht aan mag toekennen.
8.2.
Verder zijn op verzoekers Justitiële Documentatie 4 strafrechtelijke antecedenten binnen de terugkijktermijn en 15 antecedenten in totaal (dus ook buiten de terugkijktermijn) gevonden. Verzoeker is dus meerdere keren de fout ingegaan, ook tijdens een lopende proeftijd. De voorzieningenrechter begrijpt dan ook dat de staatssecretaris vindt dat er daardoor een hoger risico is dat verzoeker opnieuw de fout in zou kunnen gaan en dat dit meeweegt in het nadeel van verzoeker.
8.3.
Wat betreft het tijdsverloop, zit verzoeker nog in zijn proeftijd tot januari 2027. De staatssecretaris heeft dit, op het moment van het bestreden besluit, mogen meewegen in het nadeel van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet dat sinds het bestreden besluit enige tijd is verstreken en dat er een groter tijdsverloop is op het moment dat de staatssecretaris een beslissing op bezwaar zal nemen. Daar zal de staatssecretaris rekening mee moeten houden als hij op het bezwaar van verzoeker beslist. De voorzieningenrechter kan op dit moment niet vooruitlopen op hoe de staatssecretaris het tijdsverloop zal meewegen. De voorzieningenrechter ziet ook dat verzoeker zijn best doet om zichzelf te ontwikkelen, gelet op de start van zijn hbo-opleiding in september 2025 en de opdrachten in de zorg die hij heeft kunnen afronden. Dat is een goede ontwikkeling die de voorzieningenrechter positief waardeert. Het is van belang dat verzoeker deze positieve ontwikkelingen volhoudt na het einde van zijn proeftijd en daar kan nu nog niks over worden gezegd.
8.4.
Over verzoekers persoonlijke belangen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de staatssecretaris deze minder zwaar heeft mogen laten wegen dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen het objectief vastgestelde risico, gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen over de afdoening van de strafzaken, de antecedenten en het tijdverloop.
Mocht verzoeker erop vertrouwen dat hij de VOG zou krijgen?
9. Verzoeker heeft erop gewezen dat hij in augustus 2025 een VOG heeft verkregen voor werkzaamheden in de zorg en dat hij daarom erop vertrouwde dat hij ook nu een VOG zou krijgen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet op mocht vertrouwen dat hij nu weer een VOG zou krijgen. De staatssecretaris heeft hierover toegelicht dat bij de in augustus 2025 verleende VOG een ander screeningsprofiel is toegepast waarin het vervoer van cliënten geen rol speelde. De staatsecretaris heeft hierover toegelicht dat de twee veroordelingen die te maken hebben met verkeer toen minder zwaar zijn meegewogen dan bij het bestreden besluit. De voorzieningenrechter kan dat volgen.
Conclusie over het bezwaar
10. Gezien wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft besproken, is de voorzieningenrecht van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Belangenafweging
11. De voorzieningenrechter weegt ook altijd nog zelf de belangen af. Als het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, is er weinig ruimte om alsnog een voorlopige voorziening te treffen en komt er meer gewicht toe aan het belang dat is gediend met het besluit. Het belang van verzoeker is vooral dat hij zijn werkzaamheden en zijn huidige opleiding kan voortzetten. Verzoeker wil werken in de zorg, met mensen die van hem afhankelijk zijn. De voorzieningenrechter vindt het belang dat met het bestreden besluit is gediend, namelijk bescherming van de samenleving, dan ook zwaarder wegen. Verzoeker kan ander werk verrichten waarmee hij in zijn inkomen kan voorzien. De weigering van de huidige aanvraag betekent ook niet dat verzoeker nooit in aanmerking zal komen voor een VOG voor een soortgelijke functie of stage. Daarnaast kan een andere aanvraag, met een ander screeningsprofiel, mogelijk tot een andere uitkomst leiden. Daarom leidt de belangenafweging niet tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker niet wordt behandeld als het ware hij in het bezit is van een VOG tot de staatssecretaris een beslissing heeft genomen op het bezwaar. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
13. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026 door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.