ECLI:NL:RBMNE:2026:953
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering VOG-aanvraag voor zzp’er in de zorg
Verzoeker diende op 8 juli 2025 een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) om als zzp’er in de zorg opdrachten te kunnen aannemen. De staatssecretaris wees deze aanvraag op 21 november 2025 af vanwege strafrechtelijke antecedenten en een lopende proeftijd. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna hij een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 3 februari 2026 en concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De staatssecretaris mocht uitgaan van het door de werkgever gekozen screeningsprofiel en risicogebieden, die niet evident onjuist waren. Verzoeker had niet aannemelijk gemaakt dat het profiel onjuist was toegepast.
Hoewel verzoeker een spoedeisend belang aannemelijk maakte, woog de voorzieningenrechter het belang van de samenleving bij bescherming tegen het objectief vastgestelde risico zwaarder dan de persoonlijke belangen van verzoeker. De strafrechtelijke antecedenten, waaronder veroordelingen voor drugshandel en het niet meewerken aan een bloedonderzoek, en de lopende proeftijd, rechtvaardigen de weigering van de VOG. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG-aanvraag wordt afgewezen.