Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:962

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/16/587082 / FO RK 25-29
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en zorgregeling voor minderjarige dochter

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 5 maart 2026 een zaak over gezag en omgang tussen ouders die uit elkaar zijn. De moeder had tot dan toe het alleen gezag over hun minderjarige dochter, die bij haar woont. De vader verzocht om gezamenlijk gezag en een zorg- en contactregeling. De ouders waren het niet eens over deze verzoeken.

Tijdens de procedure werd duidelijk dat de ouders bereid waren een ouderschapsbemiddelingstraject te volgen. De rechtbank stelde vast dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is en dat er geen contra-indicaties waren om hiervan af te wijken. De moeder voerde bezwaren aan, maar deze werden niet voldoende geacht om het gezag alleen bij haar te laten.

De rechtbank legde een zorgregeling vast waarbij de dochter ieder weekend en de helft van de schoolvakanties bij de vader verblijft, met een opbouw in de zomervakantie en een maximum van twee aaneengesloten weken. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze geldt ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank benadrukte de positieve ontwikkeling in de samenwerking tussen de ouders en het belang van het kind.

De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door kinderrechter D. Riani el Achhab en griffier I.C. van Schip. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank wijst gezamenlijk gezag toe aan beide ouders en stelt een zorgregeling vast waarbij de dochter regelmatig bij de vader verblijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/587082 / FO RK 25-29
Gezag en omgang
Beschikking van 5 maart 2026
in de zaak van:
[vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A.G. Ouwejan,
tegen
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Cortet.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 10 april 2025 de beslissing op de verzoeken uitgesteld omdat de ouders hebben besloten samen ouderschapsbemiddeling te volgen.
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • het F9-formulier van de vader van 24 december 2025;
  • het F9-formulier van de moeder van 7 januari 2026.
1.3.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.4.
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] , de dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij alleen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen.
2.4.
De rechtbank heeft in de beschikking van 10 april 2025 bepaald dat de moeder de vader één keer per maand schriftelijk zal informeren over de gezondheid van [minderjarige] , hoe het met haar gaat en eventuele bijzonderheden in het leven van [minderjarige] .
2.5.
De ouders zijn het niet eens over de uitoefening van het gezag en over de omgangsregeling. De vader wil dat er een nog nader te bepalen zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt getroffen. Daarnaast wil de vader dat hij samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] wordt belast. De moeder is het hier niet mee eens.

3.De beoordeling

Zorg- en vakantieregeling
3.1.
De ouders zijn het voorafgaand aan de zitting eens geworden dat:
  • [minderjarige] ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de vader verblijft;
  • [minderjarige] de helft van de schoolvakanties bij de vader verblijft, waarbij de zomervakantie wordt opgebouwd en waarbij geldt dat [minderjarige] in de zomervakantie niet langer dan twee weken aaneengesloten bij de vader verblijft.
De rechtbank heeft deze afspraken vanuit de belangen van [minderjarige] beoordeeld. Volgens de rechtbank is er geen reden om te denken dat de afspraken voor [minderjarige] grote nadelen hebben. Daarom zal zij deze afspraken vastleggen.
Gezag
3.2.
De rechtbank zal de vader voortaan samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] belasten. Dit betekent dat zij vanaf nu samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen. Het uitgangspunt in de wet is dat ouders samen de belangrijke beslissingen over hun kinderen moeten nemen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank ziet hier geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.
3.3.
De rechtbank vindt de voorbeelden die door de moeder worden gegeven en door de vader worden betwist, niet zodanig dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de moeder alleen het gezag blijft uitoefenen. Daarnaast ziet de rechtbank ook geen risico dat als de ouders samen het gezag hebben [minderjarige] de dupe zal worden van de strijd tussen de ouders. De rechtbank kan zich voorstellen dat de moeder meer behoefte heeft aan een samenwerking met de vader en dat het voor haar voelt alsof de vader geen betrokkenheid toont. Dit kan echter ook een persoonlijke eigenschap van de vader zijn, die losstaat van de betrokkenheid van hem bij [minderjarige] .
3.4.
Op de zitting is gebleken dat de ouders dingen anders ervaren. De moeder ervaart bijvoorbeeld dat de communicatie niet goed is, terwijl volgens de vader de communicatie wel goed verloopt. De rechtbank maakt zich daar, net als de Raad, zorgen over. De ouders hebben op de zitting hun bereidheid uitgesproken om samen een ouderschapsbemiddelingstraject bij het Opstapje (of een andere organisatie) te volgen. Gezamenlijk gezag leidt tot een gelijkwaardigere positie bij de hulpverlening. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich beiden volledig inzetten voor het ouderschapsbemiddelingstraject. De betrokkenheid van de vader bij gezagsbeslissingen kan in een dergelijk traject ook aan de orde komen.
3.5.
Tenslotte wenst te rechtbank te benadrukken dat zij het knap vindt dat de ouders al ver zijn gekomen en dat het nu juist redelijk goed gaat. De rechtbank hoopt dat deze stijgende lijn doorzet.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.6.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
belast de vader samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] ;
4.2.
stelt de volgende zorgregeling vast:
  • [minderjarige] verblijft ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de vader;
  • [minderjarige] verblijft de helft van de schoolvakanties bij de vader, waarbij de zomervakantie wordt opgebouwd en waarbij geldt dat [minderjarige] in de zomervakantie niet langer dan twee weken aaneengesloten bij de vader verblijft;
4.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. D. Riani el Achhab, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.