ECLI:NL:RBMNE:2026:971
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde twee-onder-één-kapwoning met schending hoorplicht
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een twee-onder-één-kapwoning in [plaats] vast op €604.000,- voor het belastingjaar 2024, welke na bezwaar werd verlaagd naar €587.000,-. Eiser stelde beroep in tegen deze waarde en betwistte de hoogte ervan.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix, waarin vijf vergelijkbare woningen uit dezelfde gemeente en bouwperiode werden betrokken, aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De rechtbank verwierp het beroep van eiser dat een vergelijking met de WOZ-waarde van het voorgaande jaar of met andere woningen in de buurt relevant zou zijn.
Hoewel eiser terecht stelde dat hij gehoord wilde worden, werd de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase gepasseerd omdat eiser in de beroepsfase voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunten toe te lichten. De rechtbank bepaalde dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht aan eiser moest vergoeden.
Verder faalden de beroepsgronden over het bouwjaar en de kwaliteit van woningen uit de jaren ’50 versus ’60. Het beroep werd ongegrond verklaard en de WOZ-waarde bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €587.000,- blijft gehandhaafd, met vergoeding van het griffierecht aan eiser.