Verzoekster trad op 30 juni 2025 in dienst bij verweerster op basis van een uitzendovereenkomst voor de duur van één week, met een mogelijke stilzwijgende verlenging van vier weken. Zij meldde zich ziek op 4 juli 2025, waarna verweerster de overeenkomst beëindigde en verzoekster uit haar woonruimte zette.
Verzoekster stelde dat zij een overeenkomst voor drie maanden had gesloten en vorderde loon, schadevergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter oordeelde dat de schriftelijke overeenkomst duidelijk was en dat verzoekster onvoldoende bewijs leverde voor een langere duur of stilzwijgende verlenging. Het telefoongesprek dat verzoekster aanvoerde vond pas na het dienstverband plaats en bood onvoldoende aanwijzingen.
Verweerster moet verzoekster loon betalen over de gewerkte dagen, inclusief een half uur op de ziekgemelde dag. Voor zaterdag 5 juli 2025 moet verzoekster bewijs leveren dat zij stond ingeroosterd. Verzoekster heeft recht op een transitievergoeding omdat de overeenkomst van rechtswege eindigde. De vorderingen tot dwangsommen en gefixeerde schadevergoeding worden afgewezen. Ook de billijke vergoeding wegens vermeend onrechtmatig ontslag en ontruiming wordt afgewezen omdat de beëindiging rechtmatig was en schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad niet in deze procedure kan worden gevorderd.
De kantonrechter draagt verzoekster op bewijs te leveren over het rooster voor 5 juli 2025 en bepaalt dat de zaak op 11 februari 2026 wordt voortgezet om bewijslevering te bespreken. Alle overige beslissingen worden aangehouden.