ECLI:NL:RBMNE:2026:992

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11788668 \ UC EXPL 25-5784
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 3:303 BWArt. 6:265 BWArt. 6:29 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens langdurige huurachterstand ondanks minderjarige kinderen

Eiseres vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege een aanzienlijke huurachterstand van meer dan twintig maanden door gedaagden. Gedaagde sub 2 verschijnt niet in de procedure, waardoor verstek wordt verleend. Gedaagde sub 1 erkent de huurachterstand maar voert persoonlijke omstandigheden aan, waaronder gokverslaving en het voornemen tot schuldsanering.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. De belangen van de minderjarige kinderen die in de woning verblijven worden meegewogen, maar wegen niet zwaarder dan het belang van eiseres bij tijdige huurbetaling en nakoming van de overeenkomst. Er is geen concreet bewijs dat de kinderen na ontruiming dakloos worden of gescheiden raken van hun ouders.

De kantonrechter wijst de vorderingen toe, stelt een ontruimingstermijn van veertien dagen na betekening vast en veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, gebruiksvergoeding en proceskosten. De machtiging tot ontruiming met inzet van de sterke arm wordt afgewezen omdat alleen een deurwaarder ontruiming mag uitvoeren. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, wettelijke rente, gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11788668 \ UC EXPL 25-5784 BJvd/61169
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,

kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[eiser sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
4.
[eiser sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen en in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. Ch.P.A.T. van Goethem,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
procederend in persoon,

2.2. [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] op de rolzitting van 15 september 2025,
- de antwoord akte van [eiseres] en overlegging producties 1 tot en met 7,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren van [eiseres] een woning en hebben een huurachterstand. [eiseres] vordert onder andere ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ontbinding en ontruiming rechtvaardigt en wijst de vorderingen van [eiseres] toe. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten ook de huurachterstand betalen.

3.De beoordeling

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een huurovereenkomst met [eiseres]
3.1.
verhuurt met ingang van 1 mei 2022 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De maandelijkse huur (inclusief het voorschot voor gas, water en elektra en onderhoud aan de CV/boiler van € 100,00) bedraagt thans € 1.004,18. Deze bedragen zijn bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing; van deze huurovereenkomst maakt ook een sideletter deel uit.
Vroegsignalering
3.2.
De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat tijdens het incassotraject in 2024 reeds een melding is gedaan bij de gemeente. Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aanwezig waren bij de mondelinge behandeling, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stelling van [eiseres] dat deze melding is gedaan.
Ambtshalve toetsing van de huurovereenkomst
3.3.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De kantonrechter heeft geen onredelijke bezwarende of oneerlijke bedingen gevonden in de overeenkomst, de sideletter of in de algemene voorwaarden bij de overeenkomst die zien op de vorderingen die [eiseres] heeft ingesteld.
De vorderingen tegen [gedaagde sub 2]
De vorderingen tegen [gedaagde sub 2] worden bij verstek toegewezen
3.4.
[gedaagde sub 2] heeft niet gereageerd op de vorderingen van [eiseres] . [gedaagde sub 1] heeft geen volmacht overhandigd waaruit blijkt dat hij ook namens [gedaagde sub 2] spreekt, zodat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde sub 1] mede namens [gedaagde sub 2] is verschenen. De kantonrechter verleent verstek tegen [gedaagde sub 2] , omdat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping van [gedaagde sub 2] in acht zijn genomen, zij niet in het geding is verschenen en ook geen antwoord heeft opgestuurd naar de kantonrechter. De kantonrechter heeft ook geen ander bericht van [gedaagde sub 2] ontvangen.
3.5.
Omdat [gedaagde sub 2] niet naar de mondelinge behandeling is gekomen en geen verweer heeft gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de gestelde feiten en omstandigheden waarop [eiseres] haar vorderingen tegen haar baseert. Dit heeft tot gevolg dat de vorderingen van [eiseres] jegens [gedaagde sub 2] worden toegewezen op dezelfde wijze zoals deze hieronder jegens [gedaagde sub 1] worden toegewezen.
De vorderingen tegen [gedaagde sub 1]
De gevorderde betaling van de huurachterstand en de wettelijke rente daarover wordt toegewezen
3.6.
[eiseres] stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in hun verplichtingen als huurder zijn tekortgeschoten, door niet (volledig) aan de betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [eiseres] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een huurachterstand die tot en met 14 januari 2026 berekend is op een bedrag van € 20.341,32 (dit is een huurachterstand van 20 maanden). [gedaagde sub 1] heeft erkend dat hij een huurachterstand heeft. De kantonrechter wijst de gevorderde betaling hiervan dan ook toe. Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te laat zijn met het betalen van de verschillende huurtermijnen, wordt de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand ook toegewezen.
De gevorderde verklaring van recht wordt niet toegewezen
3.7.
[eiseres] heeft gevorderd te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en side letter. Omdat gesteld noch gebleken is welk voldoende belang [1] [eiseres] bij deze vordering als zodanig heeft, wordt deze vordering afgewezen.
De gevorderde ontbinding en ontruiming
3.8.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt.
3.9.
De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [2] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [3]
 Tekortkoming: De forse omvang van de huurachterstand
3.10.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand (€ 9.495,40 =) ruim zes maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels meer dan twintig maanden. In de tussentijd is er niets betaald. Deze huurachterstand is een ernstige tekortkoming van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en daarom genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
 Beroep op de tenzij-regel [4] slaagt niet
3.11.
[gedaagde sub 1] heeft nog omstandigheden aangevoerd. Hij heeft uitgelegd dat hij schulden maakt door gokken en dat hij voornemens is een verzoek te doen voor wettelijke schuldsanering (WSNP). Met hulp van de huisarts wil hij opgenomen worden in een kliniek voor zijn verslaving. [gedaagde sub 1] heeft een inkomen uit werk en wil graag een betalingsregeling treffen met [eiseres] . [gedaagde sub 1] heeft ook laten weten dat hij en [gedaagde sub 2] twee minderjarige kinderen hebben die bij hen in het gehuurde wonen.
3.12.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde sub 1] heeft willen betogen dat de ontbinding van de huurovereenkomst (en in het verlengde daarvan de ontruiming) niet gerechtvaardigd is. De kantonrechter volgt [gedaagde sub 1] niet daarin. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
3.13.
De door [gedaagde sub 1] aangevoerde omstandigheden doen niet af aan de ernst van de tekortkoming van [gedaagde sub 1] in de nakoming van de huurovereenkomst en komen voor zijn rekening en risico. Positief is dat [gedaagde sub 1] heeft uitsproken dat hij nu hulp van derden wil inroepen om zijn persoonlijke en financiële situatie te verbeteren, maar niet is gebleken dat [gedaagde sub 1] (inmiddels) daadwerkelijk hulp ontvangt voor zijn (gok)verslaving en/of financiële situatie. Evenmin is gebleken dat [gedaagde sub 1] een verzoek voor de WSNP heeft gedaan of dat er een WSNPtraject loopt.
3.14.
Wat de positie van de minderjarige kinderen van huurders betreft, geldt dat uit artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) volgt dat bij alle maatregelen, waaronder ook beslissingen van rechterlijke instanties, de belangen van het kind een eerste overweging vormen. Tot deze belangen behoort onder andere hun recht op huisvesting en hun recht om in beginsel niet gescheiden te worden van hun ouders. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. Deze belangen moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. De ouders van een minderjarig kind zijn verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en de ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken.
3.15.
De ontbinding en in het verlengde daarvan de ontruiming van het gehuurde zullen voor [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en hun minderjarige kinderen ongetwijfeld ingrijpende gevolgen hebben. Het is echter niet concreet gebleken dat (de kans bestaat dat) de kinderen gescheiden zullen raken van hun ouders na ontruiming en/of dat (een kans op) daadwerkelijk(e) dakloosheid dreigt. Zo is niet gesteld dan wel gebleken, dat na de ontbinding en de ontruiming, [gedaagde sub 1] en zijn gezin ter opvang niet terug kunnen vallen op bijvoorbeeld hun sociale netwerk, waardoor dakloosheid niet aan te orde is. Daarbij komt dat de mogelijkheid bestaat om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen om alternatieve huisvesting te verkrijging. Dat de ontbinding en de ontruiming zullen leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de minderjarige kinderen, is niet aangevoerd en blijkt ook niet uit de stukken.
3.16.
Tegenover het belang van [gedaagde sub 1] en zijn gezin staat het belang van [eiseres] dat van haar niet kan worden verwacht dat zij moet accepteren dat voor een huurwoning niet (tijdig en volledig) wordt betaald, in dit geval gedurende een substantiële periode van 20 maanden, terwijl [gedaagde sub 1] over inkomen beschikt. [gedaagde sub 1] heeft ook geen enkel concreet aanbod gedaan om de ontstane achterstand binnen een afzienbare termijn aan te zuiveren en om de toekomstige termijnen wel te betalen. Daardoor is er geen enkel perspectief dat [gedaagde sub 1] zijn betalingsverplichtingen in de toekomst wel zal nakomen. De kantonrechter kan niet bepalen voor [eiseres] dat zij een betalingsregeling met [gedaagde sub 1] treft. Dat is aan [eiseres] en [gedaagde sub 1] . [5] In het verleden zijn er tussen partijen overigens meerdere betalingsregelingen getroffen die [gedaagde sub 1] niet nakwam, wat voor [eiseres] ook de reden is geweest om uiteindelijk een procedure te starten.
3.17.
Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken van een situatie waarin de belangen van de kinderen van [gedaagde sub 1] de doorslag geven en alsnog van de ontbinding en in het verlengde daarvan een ontruiming zou moeten worden afgezien.
3.18.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de gevorderde ontruiming worden op grond van het voorgaande toegewezen. In plaats van de gevorderde termijn van tien dagen voor de ontruiming stelt de kantonrechter de ontruimingstermijn vast op veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Machtiging tot ontruiming wordt niet verleend
3.19.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie wordt afgewezen, omdat op grond van de wet alleen de deurwaarder een ontruiming van een woning mag uitvoeren. [6]
De ontruimingskosten zijn (nog) niet toewijsbaar
3.20.
[eiseres] heeft een vergoeding gevorderd voor de kosten voor de ontruiming van het gehuurde. Dit zijn kosten die in het geval van een gedwongen ontruiming ná het vonnis zullen worden gemaakt (denk aan kosten van de deurwaarder, sleutelmaker, verhuizer, opslagkosten etc.) en naast de proceskosten ook nog door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan [eiseres] moeten worden betaald. De ontruimingskosten kunnen niet in dit vonnis worden toegewezen, omdat de hoogte van de kosten op dit moment nog niet te begroten is. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten er wel rekening mee houden dat als zij de woning na dit vonnis niet vrijwillig ontruimen, [eiseres] de kosten van een gedwongen ontruiming bij hen in rekening mag brengen.
Tot het gehuurde is ontruimd moet er een gebruiksvergoeding worden betaald
3.21.
[eiseres] wil ook dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van thans € 1.034.35 tot het moment dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het gehuurde ontruimen. Dit is de
huurprijsper maand tot de ontbinding van de huurovereenkomst, dus per vandaag, en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een
gebruiksvergoeding [7] voor de tijd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog in het gehuurde verblijven. Deze vordering wordt toegewezen. De gebruiksvergoeding is gelijk aan de huurprijs zoals die zou gelden als de huurovereenkomst niet zou zijn ontbonden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn de gebruiksvergoeding ook bij vooruitbetaling aan [eiseres] verschuldigd.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten en de wettelijke rente daarover betalen
3.22.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en worden daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat zij de proceskosten (inclusief nakosten) [eiseres] aan haar moeten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.903,47
3.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken
3.24.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.25.
[eiseres] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daartegen zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet opgekomen. Er is ook niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die deze vordering in de weg staan. Op grond de wet wordt die vordering toegewezen. [8] Dit betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten voldoen aan de veroordelingen en dat [eiseres] het vonnis ten uitvoer kan leggen, ongeacht of hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
Dit vonnis wordt beschouwd als een vonnis op tegenspraak
3.26.
Omdat [gedaagde sub 1] wel in de procedure is verschenen, wordt dit vonnis op grond van de wet als een vonnis op tegenspraak beschouwd. [9] Dit betekent dat [gedaagde sub 2] geen verzet maar alleen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis.
4. De beslissing
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres aan de [adres] in [plaats] per vandaag,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ,
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om te betalen aan [eiseres] :
- € 20.341,32 aan achterstallige huur tot en met 14 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 1.034,35 per maand vanaf 1 februari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.903,47, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 3:303 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 6:265 BW Pro.
3.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810).
4.Zoals neergelegd in artikel 6:265 lid 1 BW Pro.
5.Zie artikel 6:29 BW Pro.
6.Artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
7.Zie artikel 7:225 BW Pro.
8.Artikel 233 lid 1 Rv Pro.
9.Artikel 140 lid 3 Rv Pro.