Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
- mevrouw [medewerkster Raad], namens de Raad;
- de moeder, bijgestaan door mr. Koopman voornoemd;
- mevrouw [medewerkster WSJ], namens WSJ.
Rechtbank Noord-Holland
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon vanwege haar ongeschiktheid en onmacht om voor hem te zorgen. De minderjarige, met een complexe problematiek waaronder ADHD, posttraumatische stress en FAS, woont sinds 2006 in een pleeggezin waar hij gehecht is geraakt. De moeder onderhoudt een frequente omgang met hem en heeft haar leven inmiddels op orde.
De rechtbank overwoog dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing primair tijdelijk zijn, maar dat ontheffing mogelijk is bij blijvende ongeschiktheid. Uit het dossier bleek dat de moeder niet in staat is om de volledige zorg te bieden die de minderjarige nodig heeft, maar dat zij wel een sterke emotionele band met hem onderhoudt en betrokken blijft bij belangrijke beslissingen.
Gezien de kwetsbaarheid van de minderjarige en het belang van continuïteit in zijn woonomgeving, achtte de rechtbank een vrijwillig kader van hulpverlening onvoldoende. Toch was er onvoldoende bewijs dat de ontheffing noodzakelijk was, mede omdat de moeder instemde met het woonperspectief in het pleeggezin. Het verzoek tot ontheffing werd daarom afgewezen. Ook het verzoek van de moeder om de Raad te veroordelen in de proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot ontheffing van het ouderlijk gezag wordt afgewezen vanwege onvoldoende gronden en het belang van de emotionele band tussen moeder en minderjarige.