AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toekenning schadevergoeding wegens ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis na niet-vervolging
Verzoeker diende een verzoek tot schadevergoeding in op grond van artikel 89 SvPro wegens ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis, nadat het openbaar ministerie had besloten hem niet te vervolgen. De rechtbank oordeelde dat niet de rechtmatigheid van de aanhouding of hechtenis zelf ter beoordeling stond, maar of er billijkheidsgronden zijn voor vergoeding.
De officier van justitie stelde dat de verdenking en hechtenis gerechtvaardigd waren en dat vergoeding daarom niet of slechts gematigd zou moeten worden toegekend. De rechtbank verwierp dit en benadrukte dat het recht van verzoeker om te zwijgen niet als verwijt mag gelden. Verzoeker had duidelijk verklaard niets met het delict te maken te hebben.
De rechtbank kende forfaitaire bedragen toe voor het verblijf in politiecel en huis van bewaring, een materiële schadevergoeding van €3.600,- gebaseerd op omzetgegevens voorafgaand aan detentie, en een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. In totaal werd €10.880,- toegekend en uitbetaling bevolen.
Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €10.880,- toegekend wegens ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis en materiële schade.
Op 18 april 2013 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland per faxbericht ingekomen een door mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat, ingediend verzoekschrift van
[verzoeker 1], verzoeker,
[plaats]
,
woonplaats kiezende te Amsterdam aan de Falckstraat 14, ten kantore van mr. Kuijpers voornoemd.
Het verzoekschrift strekt – na vermeerdering van eis – tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van
€ 6.730,- ter zake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van ten onrechte ondergane verzekering;
p.m. ter zake van materiële schade;
€ 280,- wegens de kosten van bijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift dan wel € 540,- indien een inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift noodzakelijk is.
Op 28 oktober 2013 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld. Op die zitting heeft verzoeker zijn verzoek vermeerderd met een nog niet bepaald bedrag. In verband daarmee heeft de rechtbank toen besloten de verdere behandeling van het verzoek aan te houden. De nader bepaalde zitting op 18 november 2013 is wederom aangehouden in verband met ziekte van de raadsman van verzoeker.
Ten slotte heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 2 december 2013.
Verzoeker is verschenen en een waarnemer van zijn vaste advocaat.
Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. G.J.A.M. Botman.
2.Beoordeling
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door het schriftelijk bericht van de officier van justitie van 21 januari 2013, waarin aan verzoeker wordt meegedeeld dat hij niet zal worden vervolgd voor deze zaak.
Het verzoekschrift is op 18 april 2013, en dus tijdig ingediend.
Op de voet van het bepaalde in de artikelen 89, 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering kan verzoeker – nu de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – aanspraak maken op vergoeding van de door verzoeker ten gevolge van ten onrechte ondergane verzekering of voorlopige hechtenis geleden schade, voor zover daartoe gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de ontstane verdenking tegen verzoeker destijds alleszins gerechtvaardigd was en dat uit die verdenking logischerwijs ook de voorlopige hechtenis van verdachte voortvloeide. Daarom zou er geen vergoeding moeten worden toegekend, subsidiair zou die moeten worden gematigd.
De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van het onderhavige verzoek niet de vraag aan de orde is of verdachte destijds terecht als verdachte is aangemerkt of dat de voorlopige hechtenis in de omstandigheden van het geval terecht is opgelegd. Wel is aan de orde de vraag of er redenen van billijkheid zijn om aan verzoeker een vergoeding voor de schade als gevolg van de ondergane hechtenis toe te kennen, beschouwd vanuit het perspectief dat het openbaar ministerie heeft beslist verdachte niet (verder) te vervolgen.
Onjuist is daarbij de veronderstelling van de officier van justitie dat verdachte de voortduring van de voorlopige hechtenis aan zichzelf te wijten heeft, omdat hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Allereerst, omdat verdachte tegenover de politie duidelijk heeft uitgesproken niets met de dood van het slachtoffer te maken te hebben gehad. Daarnaast, omdat het een recht van de verdachte is om zich op zijn zwijgrecht te beroepen.
In de omstandigheden van dit geval bestaat geen aanleiding om geen vergoeding aan verdachte toe te kennen in verband met de door hem gekozen proceshouding.
Voor de ondergane verzekering en hechtenis zullen de forfaitaire bedragen worden toegekend.
Verzoeker heeft het verzochte bedrag vermeerderd, maar onduidelijk blijft met welk bedrag. Op de laatste zitting heeft hij facturen van zijn bedrijf uit 2008 en 2009 overgelegd. Hieruit lijkt te volgen dat hij gedurende een geruime periode als zzp’er werkzaamheden heeft verricht voor een schoorsteenvegersbedrijf in Zaandam. Aangezien de hechtenis van verzoeker in 2010 heeft plaatsgehad, zal verder aan deze facturen worden voorbijgegaan.
Verzoeker heeft tevens een recente brief van zijn toenmalige opdrachtgever overgelegd. Daarin wordt verklaard dat verzoeker in de periode, kort voorafgaande aan zijn detentie, een gemiddelde omzet per maand had van € 3.500,-. Dat is voor de rechtbank voldoende om naast het forfaitaire bedrag nog een vergoeding voor materiële schade toe te kennen. Aangezien het hier om een bruto-bedrag gaat en bij gebreke van overige gegevens, acht de rechtbank voor de periode van ruim twee maanden een schadevergoeding van € 3.600,- billijk.
Nu de raadsman in raadkamer is verschenen om het verzoekschrift nader toe te lichten, zal de rechtbank aan verzoeker de forfaitaire vergoeding voor de opstelling van het verzoekschrift en de behandeling ervan (uitsluitend de laatste behandeling) ter zitting toekennen ad € 550,-.
Het verzoek zal derhalve worden ingewilligd op de wijze als hieronder is aangegeven.
3.Beslissing
De rechtbank:
Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 10.880,-
(zegge: tienduizend achthonderdtachtig euro), welk bedrag als volgt is samengesteld:
€ 4.410,- wegens verblijf van 42 dagen in een politiecel, respectievelijk verblijf in een huis van bewaring in alle beperkingen
€ 2.320,- wegens verblijf van 29 dagen in een huis van bewaring
€ 3.600,- wegens materiële schade en
€ 550,- wegens de kosten van een raadsman voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoeker toegekende vergoeding op de bankrekening van Stichting Beheer Derdengelden Kuijpers & Nillesen Advocaten te ‘s-Hertogenbosch, rekeningnummer 42.44.87.136, onder vermelding van “[verzoeker 1]”.
4.Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum
Deze beschikking is gegeven door
mr. L.J. Saarloos, rechter,
in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2013.
De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.