In deze civiele zaak stond de aansprakelijkheid van een zorginstelling (CAV) centraal wegens een tekortkoming die leidde tot noodzakelijke kosten voor het opgraven en herbegraven van een overledene. De eiser, handelend als executeur testamentair, vorderde vergoeding van deze kosten plus advocaatkosten en andere gerelateerde uitgaven.
De kantonrechter stelde vast dat de kosten voor het opgraven en herbegraven rechtstreeks voortvloeiden uit de tekortkoming van CAV en daarom voor vergoeding in aanmerking kwamen. Kosten die niet direct verband hielden met de tekortkoming, zoals onderhoudskosten van het graf, werden afgewezen. Ook werden griffierecht en deurwaarderskosten als onderdeel van proceskosten beschouwd en niet afzonderlijk toegewezen.
De advocaatkosten werden deels toegewezen, waarbij rekening werd gehouden met het liquidatietarief en een redelijke vermindering wegens het niet volledig dekken van kosten door dit tarief. De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Daarnaast werd wettelijke rente toegekend vanaf 30 juli 2012.
De kantonrechter veroordeelde CAV tot betaling van in totaal € 8.577,84 plus wettelijke rente en in de proceskosten, waaronder dagvaarding, griffierecht, salaris gemachtigde en een nasalaris voor eventuele nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.