De rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak waarin de rechter-commissaris abusievelijk de looptijd van een schuldsaneringsregeling had verkort van de gebruikelijke 36 maanden naar 18 maanden. Deze verkorting was gebaseerd op de veronderstelling dat de schuldenaar niet aan de boedel kon afdragen, wat later onjuist bleek.
De bewindvoerder had na ontvangst van de beschikking van 16 juli 2013 verzocht om verlenging van de looptijd naar 36 maanden, mede omdat er inmiddels spaarcapaciteit was ontstaan. De rechtbank stelde vast dat ondanks het verstrijken van de verkorte termijn de regeling nog niet was beëindigd en dat er ruimte was om de looptijd te verlengen.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging in het belang van de schuldeisers was, gezien de maandelijkse spaarcapaciteit van € 323,20. De bezwaren van de schuldenaar, waaronder zijn wens om snel van zijn schulden af te zijn en de zwaarte van het minnelijk traject, konden niet opwegen tegen dit belang. Daarom werd de looptijd van de schuldsaneringsregeling hersteld tot 36 maanden, tot 28 februari 2015.