In deze bestuursrechtelijke zaak staat de WOZ-waarde van het hoofdgebouw van een academisch ziekenhuiscomplex centraal. Verweerder had de waarde vastgesteld op € 274.450.500 na bezwaar, maar eiser betwist deze waardering en stelt dat diverse aspecten onjuist zijn toegepast, waaronder de objectafbakening, de werktuigenuitzondering, de berekening van herbouwwaarde, restwaarde, functionele correctiefactoren en grondwaarde.
De rechtbank oordeelt dat de onjuiste objectafbakening niet automatisch leidt tot waardevermindering vanwege interne compensatie. De toepassing van de werktuigenuitzondering is correct volgens de Taxatiewijzer en het overgelegde rapport. Wel is de methode waarbij verweerder recente investeringskosten en gemiddelde vervangingswaardes door elkaar gebruikt onjuist, waardoor aanpassingen in de waardering van verschillende bouwdelen noodzakelijk zijn.
Verder wordt het beroep op schaalvoordeel door verweerder niet gevolgd, omdat de Taxatiewijzer geen aanwijzingen geeft voor een dergelijk voordeel bij het hoofdgebouw. De indexering met de BDB-index wordt door de rechtbank afgewezen vanwege de dalende markt, waardoor een correctie van 2,69% wordt toegepast. De restwaarde wordt vastgesteld volgens de methode van verweerder, waarbij rekening wordt gehouden met onderhoud en verlengde levensduur. Ten slotte wordt de grondwaarde lager vastgesteld dan door verweerder, gelet op onderhandelingsruimte bij grote percelen.
De rechtbank vermindert de WOZ-waarde van het hoofdgebouw tot € 247.646.470 en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser.