De rechtbank Noord-Holland behandelde op 3 januari 2013 het verzoek van de vrouw om wijziging van voorlopige voorzieningen die op 23 augustus 2012 waren vastgesteld. De vrouw vroeg om een nieuwe omgangsregeling met de minderjarige kinderen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling als een nieuw nevenverzoek moet worden beschouwd en dat de gezinsvoogd, die nauw betrokken is bij het gezin en de ondertoezichtstelling uitvoert, de aangewezen autoriteit is om te beoordelen welke omgangsregeling het beste is voor de minderjarigen. Gezien de fragiele situatie van de vrouw en de zorgen over haar stemmingswisselingen en persoonlijke omstandigheden, achtte de rechtbank het niet in het belang van de kinderen om zelf een zorg- en opvoedingstakenregeling vast te stellen.
Ten aanzien van het verzoek tot uitsluitend gebruik van de echtelijke woning stelde de rechtbank vast dat de man de woning had verlaten en elders was gaan wonen. Gezien deze gewijzigde omstandigheden en de instemming van de man, werd het verzoek van de vrouw toegewezen. De man werd bevolen de woning te verlaten en niet meer te betreden.
De rechtbank wees het overige verzoek van de vrouw af en bevestigde dat de gezinsvoogd de omgang tussen de vrouw en de kinderen zal blijven begeleiden en evalueren. De beschikking werd uitgesproken door rechter Friedberg.