Uitspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van twee pogingen tot plofkraak: één in De Goorn en één in ’t Harde. Voor de poging in De Goorn werd verdachte vrijgesproken omdat het DNA-bewijs niet overtuigend genoeg was en de modus operandi van wisselende dadergroepen dit niet uitsloot.
Voor de poging in ’t Harde werd verdachte wel veroordeeld. Op basis van uitgebreid sporenonderzoek, waaronder DNA-profielen op kledingstukken gevonden nabij de vluchtauto, en getuigenverklaringen over de gebeurtenissen op 21 oktober 2012, achtte de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleegde aan de plofkraak. De schade was groot, maar er werd geen geld weggenomen.
De rechtbank oordeelde dat verdachte en zijn mededader professioneel te werk gingen, met een gedetailleerd plan en gebruik van ramconstructies en gasflessen. De straf werd bepaald op twee jaar gevangenisstraf, rekening houdend met eerdere veroordelingen en de ernst van het feit. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht.
De rechtbank verwierp het verweer dat het DNA op de kledingstukken verklaard kon worden door het uitlenen van kleding, omdat dit niet concreet werd onderbouwd en het DNA op meerdere plekken prominent aanwezig was. De vrijspraak voor De Goorn en de veroordeling voor ’t Harde zijn duidelijk onderscheiden in het vonnis.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf voor medeplegen poging plofkraak in ’t Harde en vrijgesproken van poging plofkraak in De Goorn.