Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
2.De beoordeling
De schoolvakanties alsmede de feest- en roostervrije dagen van de kinderen worden bij helfte verdeeld, jaarlijks alternerend.
Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partnerbijdrage (van[euro] 8.220 per maand)
is afgewezen.
.
De rechtbank acht het redelijk de inkomsten van de vrouw uit deze werkzaamheden te begroten op een bedrag van[euro] 500 netto per maand, in aansluiting op de uitgangspunten van partijen bij bovengenoemde overeenkomst. Hieraan doet niet af dat partijen hierbij de aantekening “onzeker” hebben geplaatst. Gelet op het kader waarin deze overeenkomst is gesloten, wordt thans ervan uitgegaan dat sprake is van een bestendige bron van inkomsten, maar dat de hoogte van die inkomsten varieert.
De overgelegde (jaar-)stukken van de ondernemingen van de man, in samenhang met de belastingaangiftes, bevatten voorts voldoende concrete informatie om de draagkracht van de man te beoordelen, zodat het verzoek van de vrouw om een deskundige te benoemen, zal worden afgewezen.
Bij de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van de volgende gegevens:
is de conclusie dat de man geen draagkracht van betekenis heeft om een partnerbijdrage te betalen. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.
Zij beroept zich op een door haar in het geding gebrachte rapport van het Internationaal Juridisch Instituut van 18 mei 2011. Hierin wordt, naast de tekst van art. 37 van Pro het Wetboek familierecht (in Duitse vertaling, ontleend aan Bergmann/Ferid), als samenvatting gegeven (pag. 14): Het wettelijk stelsel van het Russisch huwelijksvermogensrecht kan beschreven worden als een beperkte gemeenschap van goederen. Het staande huwelijk verkregen vermogen wordt als gemeenschappelijk vermogen gezien, met uitzondering van (onder meer) het door een van de echtgenoten bij de huwelijkssluiting aangebrachte vermogen.
Waar het betreft de verdeling, wordt in het rapport opgemerkt (pag.17): Het voorhuwelijkse vermogen behoort tot het eigen vermogen van de desbetreffende echtgenoot. Dit vermogen behoeft dus niet te worden verdeeld. De man is voor het huwelijk begonnen met het opbouwen van een onderneming, die echter volgens door vraagsteller verstrekte informatie, aanvankelijk niet winstgevend was. Inkomen uit onderneming valt echter in de gemeenschap. Het lijkt hier van belang om vast te stellen wat de waarde van de onderneming was bij de aanvang van het huwelijk en om te bepalen of in dit geval eventueel aanleiding bestaat om de onderneming te beschouwen als onderdeel van de gemeenschap in de zin van art. 37 van Pro het Russische Wetboek inzake familierecht.
Daarnaast heeft de vrouw verwezen naar een door haar in het geding gebrachte Legal Opinion, in 2012 opgesteld door “Versus” LLC.
1 en 2 mei 2013, opgesteld door mr. E. Kalashnikova, advocaat in Moskou. Hierin wordt als “deskundigenverklaring” gegeven dat art. 37 van Pro het Wetboek familierecht in samenhang moet worden gelezen met art. 256, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek, welk artikel benadrukt dat de inbreng gedaan moet worden door middel van een gezamenlijke of een exclusieve individuele investering door de andere echtgenoot, niet zijnde de echtgenoot die eigenaar is van het eigendomsrecht op het vermogensbestanddeel in kwestie. Art. 37 van Pro het Wetboek familierecht wordt alleen toegepast indien bewezen wordt dat de waarde van een vermogensbestanddeel dat eigendom is van één van de partijen, aanzienlijk gestegen is vanwege de exclusieve inspanning van de andere echtgenoot, het investeren van individuele financiële middelen van de andere echtgenoot, of van gezamenlijke financiële middelen van beide echtgenoten.
Ook indien de vrouw op dit punt aan haar stelplicht had voldaan, is niet gebleken van inspanningen aan háár zijde die tot toepassing van voornoemd art. 37 zou Pro moeten leiden.
Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat met “der Arbeit eines der Ehegatten” in genoemd artikel wordt gedoeld op de werkzaamheden die de man in de ondernemingen verrichtte, wordt dit betoog verworpen. Deze werkzaamheden waren immers de basis van het salaris van de man waarvan beide partijen, in Rusland en in Nederland, hebben geleefd.
Voornoemd rapport van het Internationaal Juridisch Instituut en de verklaring van
mr. Kalashnikova zijn op het punt van gemeenschappelijk vermogen en de verdeling daarvan in geval van echtscheiding, ook niet tegenstrijdig. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het door de man bij de huwelijkssluiting aangebrachte vermogen aan hem zal verblijven, en dat een waardestijging daarvan aan de man toekomt.
3.De beslissing
pro forma aan.
- een voorstel tot verdeling;
- een overzicht van eventueel te verrekenen bedragen, gestaafd met bewijzen;
- een voorstel tot afwikkeling.
J.F. Miedema, allen tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.M. Kroon op 10 juli 2013.