ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ0516

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/3758
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • W.J. van Brussel
  • A.C. Terwiel - Kuneman
  • A.T.B. de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6 AOWArt. 12 KB 746Art. 13 Verordening 1408/71Art. 11 Verordening 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing aanwijsregels EG-verordeningen op AOW-verzekering zeevarende onder Nederlandse vlag

Betrokkene, werkzaam op cruiseschepen onder Nederlandse vlag en woonachtig in Nederland, stelde dat hij op grond van de aanwijsregels van EG-verordeningen 1408/71 en 883/2004 onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving viel. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde dat deze regels niet van toepassing waren omdat er geen intracommunautaire situatie zou zijn. De rechtbank stelde vast dat indien betrokkene zijn werkzaamheden in Europese havensteden aan- of afmonstert, dit een relevante omstandigheid is die de aanwijsregels van toepassing kan maken.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar deze feiten en omstandigheden. Volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie EU mogen voorwaarden voor aansluiting bij sociale zekerheidsstelsels niet leiden tot uitsluiting van personen waarop de Coördinatieverordening van toepassing is. Daarom moet artikel 12 KB Pro 746 buiten toepassing blijven indien de aanwijsregels gelden.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en beval nader onderzoek door verweerder naar de relevante feiten. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen na nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/3758
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 januari 2013 in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: V.J de Groot),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser vanaf november 2011 een pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) toegekend van 60%.
Bij besluit van 11 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2012. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen en H. van der Most.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser, geboren op 9 november 1946, is sinds 21 februari 1964 werkzaam geweest op schepen van de Holland Amerika Lijn (HAL). Eerst in dienst van de Nederlandse tak, maar vanaf 1 september 1990 tot en met 9 september 2010 in dienst van de Amerikaanse tak. Vanaf 1996 wordt gevaren onder Nederlandse vlag.
2. Naar aanleiding van zijn verzoek om een pensioenoverzicht heeft verweerder eiser bij brief van 19 augustus 2009 bericht dat hij van 1 september 1990 tot en met 26 juli 2009 niet verzekerd is geweest voor de AOW. Aan het slot staat vermeld dat bezwaar gemaakt kan worden voor 1 oktober 2009. Een pensioenoverzicht is een besluit (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 oktober 2010, LJN: BN9959). Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit rechtens vaststaat.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende, om terug te komen van een eerder op een aanvraag genomen besluit, inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. In het kader van de toetsing door de bestuursrechter kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Naar het oordeel van de rechtbank is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet gebleken. Gegeven het feit dat er geen nieuwe feiten zijn aangevoerd, rijst vervolgens de vraag of gezegd moet worden dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten niet terug te komen op het besluit van 19 augustus 2009 dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Verweerder hanteert in gevallen als deze een beleidsregel, die inhoudt dat verweerder in beginsel terugkomt van een onjuiste vaststelling van verzekerde tijdvakken als dit ertoe leidt dat de belanghebbende recht heeft op een hoger AOW-pensioen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de verzekerde tijdvakken eerder onjuist zijn vastgesteld door toedoen van de belanghebbende en over het betreffende tijdvak geen premies volksverzekeringen zijn afgedragen. Verweerder heeft ter zitting verklaard hierover nog geen besluit te hebben genomen en daartoe eerst over te gaan indien daartoe aanleiding bestaat.
3. Het bestreden besluit gaat over de korting die op het AOW-pensioen van eiser wordt berekend in verband met niet verzekerde tijdvakken. Aangezien verweerder eerder rechtens onaantastbaar heeft beslist over de periode van 1 september 1990 tot en met 26 juli 2009, is in dit geding aan de orde de AOW-verzekering van eiser over de periode van 27 juli 2009 tot en met 9 september 2010.
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij vanaf 10 mei 1996 wel verplicht verzekerd was voor de AOW, omdat hij voer op schepen onder Nederlandse vlag. Hij verwijst daartoe naar artikel 13 van Pro de verordening (EEG) nr. 1408/71. In dat kader heeft eiser gesteld dat hij in verband met zijn werkzaamheden Europese havenplaatsen heeft aangedaan en daar is aan- en afgemonsterd in het tijdvak dat in geding is.
Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat artikel 13 van Pro Verordening 1408/71 niet van toepassing is op de situatie van eiser, omdat geen sprake is van een intracommunautaire situatie, nu buiten Nederland alleen de VS betrokken is.
Op grond van artikel 6 van Pro de AOW is verzekerd de ingezetene, dan wel de niet-ingezetene die terzake van in Nederland verrichte arbeid in dienstbetrekking aan de loonbelasting is onderworpen. In lid 3 is geregeld dat beperking dan wel uitbreiding aan de kring van verzekerden kan worden gegeven. In artikel 12 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746) is bepaald dat niet verzekerd is de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
Eiser was in de hier in geschil zijnde periode, van 27 juli 2009 tot en met 9 september 2010, woonachtig in Nederland. Hij was werkzaam was op een zeeschip dat onder Nederlandse vlag voer. Zijn werkgever (HAL) was gevestigd in de Verenigde Staten.
Op grond van de hiervoor aangehaalde Nederlandse wetgeving was eiser dan ook niet verzekerd voor de AOW in de hier in geding zijnde periode.
Artikel 13, tweede lid van de Verordening nr. 1408/71 bepaalt dat op een persoon die beroepswerkzaamheden verricht uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die lidstaat van toepassing is. Per 1 mei 2010 is Verordening 883/2004 in werking getreden. Artikel 11, vierde lid, van deze Verordening bepaalt dat op een persoon die al dan niet in loondienst werkzaamheden verricht die normaliter plaatsvinden aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die lidstaat van toepassing is. Deze artikelen maken deel uit van de zogeheten aanwijsregels (titel II van de Verordeningen 1408/71 en 883/2004).
Voor het antwoord op de vraag of artikel 13 van Pro de Verordening 1408/71 (artikel 11 Verordening Pro 883/2004) in deze zaak van toepassing is, zal derhalve de vraag beantwoord moeten worden of de aanwijsregels in de situatie van eiser van toepassing zijn. Om de Verordening van toepassing te doen zijn moet er sprake zijn van een intracommunautaire situatie, dat wil zeggen dat de feiten niet beperkt mogen zijn tot één enkele lidstaat. Voor de toepassing van de aanwijsregels geldt daarbij nog dat alleen de actuele situatie van belang is. Hierdoor is de omstandigheid dat eiser in het verleden in Engeland heeft gewoond niet voldoende om de aanwijsregels van toepassing te doen zijn. Eiser heeft echter ter zitting ook gesteld dat de schepen waarop hij werkzaam was ook Europese havens aandeden. Verder heeft hij gesteld dat hij in verband met zijn werkzaamheden bij de HAL in verschillende Europese havens heeft aan- en afgemonsterd. In dat geval vertrok hij vanuit zijn woonplaats in Nederland naar de betreffende Europese haven waar het schip lag of keerde hij vanuit de havenstad terug naar zijn woonplaats in Nederland. Eiser heeft aangeboden deze stellingen aannemelijk te maken.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen en de ter uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen, niet worden toegepast op activiteiten die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties waarop het gemeenschapsrecht ziet, en waarvan alle relevante elementen geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen. Hetzelfde geldt met betrekking tot de bepalingen van verordening nr. 1408/71 (arresten HvJ van 22 september 1992, Petit, C-153/91, en 11 oktober 2001, Khalil e.a., C-95/99–C-98/99 en C-180/99, en 1 april 2008, C212/06, Regering van de Franse Gemeenschap en de Waalse regering tegen de Vlaamse regering).
Indien eiser, zoals hij stelt, inderdaad in dienst van de HAL Europese havensteden heeft aangedaan en daarnaast ook in Europese havensteden zijn werkzaamheden heeft aangevangen of beëindigd, is dat een omstandigheid die van belang kan zijn voor zijn AOW-verzekering in de periode van 27 juli 2009 tot en met 9 september 2010. Indien dit komt vast te staan, ziet de rechtbank in deze omstandigheden namelijk voldoende aanknopingspunten voor toepasselijkheid van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen en de ter uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen. Van een situatie waarvan alle relevante elementen geheel in de interne sfeer liggen van een enkele lidstaat is immers dan geen sprake.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de toepassing van de aanwijsregels op de situatie van eiser .
Indien de aanwijsregels van toepassing zijn op de situatie van eiser, is op eiser de Nederlandse wetgeving van toepassing, omdat hij voer op een schip met de Nederlandse vlag. Het standpunt van verweerder dat ook al zou de Nederlandse wetgeving op grond van de aanwijsregels van toepassing zijn, dit niet leidt tot de conclusie dat eiser verzekerd was voor de AOW, omdat toepassing van artikel 12 KB Pro 746 leidt tot uitsluiting, volgt de rechtbank niet.
In het arrest van het Hof van Justitie van 7 juni 2012 (Bakker, zaak C-106/11) overweegt het Hof dat de enkele omstandigheid dat een werknemer zijn werkzaamheden buiten het grondgebied van de Unie verricht, niet volstaat om de toepassing van de regels van de Unie inzake vrije verkeer van werknemers uit te sluiten wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie behoudt. Verder overweegt het Hof dat de voorwaarden voor aansluiting bij het stelsel van sociale zekerheid niet tot gevolg mag hebben dat van het toepassingsgebied van de betrokken nationale regeling worden uitgesloten de personen op wie de wettelijke regeling krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is.
Nu artikel 12 van Pro KB 746 het toepassingsgebied van de AOW-verzekering voor eiser beperkt, zou dat in strijd komen met de aanwijsregels in de verordening. In dat geval dient deze bepaling ten aanzien van eiser buiten toepassing te worden gelaten. Daaruit volgt dat, indien de aanwijsregels op eiser van toepassing zijn, eiser ingevolge de hoofdregel in de AOW (als ingezetene) verzekerd was in de periode van 27 juli 2009 tot en met 9 september 2010. Verweerder heeft daar ten onrechte geen onderzoek naar gedaan. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en zal worden vernietigd. Verweerder zal ter voorbereiding van een nieuw te nemen besluit op bezwaar nader onderzoek dienen te verrichten naar feiten en omstandigheden met betrekking tot het aandoen van Europese havenplaatsen teneinde vast te stellen in welke tijdvakken eiser deze havenplaatsen aandeed. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser heeft aangeboden bewijs te leveren. Afhankelijk van de uitkomst van deze nadere besluitvorming zal verweerder zich moeten beraden of teruggekomen moet worden op het besluit met betrekking tot de verzekerde tijdvakken vóór 27 juli 2009.
Aangezien verweerder ter zitting heeft aangegeven het geconstateerde gebrek niet te willen herstellen en hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank te willen instellen, ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting.
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling als hierna bepaald.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 944,--, te betalen aan eiser;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42,-- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzitter, en mr. A.C. Terwiel - Kuneman en mr. A.T.B. de Vries, leden, in aanwezigheid van P. van de Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2013.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.