ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4050

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
13/237
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.J. van Brussel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8A Maatregelenverordening inkomensvoorzieningen Zaanstad 2010Art. 9 Maatregelenverordening inkomensvoorzieningen Zaanstad 2010Art. 8:75 Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen onterechte verlenging maatregel Wwb-uitkering

Verzoeker kreeg een maatregel opgelegd waarbij zijn Wwb-uitkering met 100% werd verlaagd voor twee maanden wegens het niet meewerken aan een plan van aanpak. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de verlenging van de maatregel naar twee maanden onterecht was omdat de vereiste recidive binnen dezelfde gedragscategorie niet was aangetoond. De Maatregelenverordening bepaalt dat een maatregel van 100% slechts één maand mag duren bij gedragingen uit categorie 3, tenzij sprake is van recidive binnen twaalf maanden.

Omdat verzoeker eerdere maatregelen had gekregen voor gedragingen uit categorie 2 en niet uit categorie 3, was de verdubbeling van de duur van de maatregel niet toegestaan. De voorlopige voorziening werd daarom toegewezen, het besluit geschorst met ingang van 1 januari 2013 en verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot verlenging van de maatregel wordt geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 13/237
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 1 februari 2013
in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde mr. B.B.A. Willering
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,
verweerder.
Bij besluit van 28 december 2012 (het besluit) heeft verweerder bij wijze van maatregel de aan verzoeker verleende uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 1 december 2012 verlaagd met 100% gedurende twee maanden, omdat verzoeker niet heeft meegewerkt aan het opstellen, uitvoeren, evalueren en ondertekenen van een plan van aanpak en niet heeft meegewerkt aan de uitvoering daarvan.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. A. Slotboom.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter heeft:
- het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen;
- het besluit van 28 december 2012 geschorst met ingang van 1 januari 2013;
- verweerder veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,-- , te betalen aan verzoekers gemachtigde;
- verweerder gelast het door verzoeker betaalde griffierecht van € 42,-- aan hem te vergoeden.
Gronden van de beslissing
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Verweerder heeft zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat verzoeker niet heeft meegewerkt aan een plan van aanpak gericht op het vinden van werk via het Work First Traject. Het betreft een traject gericht op het opdoen van werkervaring en verzoeker was verplicht hieraan mee te werken.
3. De onder 2. vermelde gedraging van verzoeker betreft een gedraging zoals vermeld in artikel 8A, categorie 3, onder b, van de Maatregelenverordening inkomensvoorzieningen Zaanstad 2010 (de Maatregelenverordening): het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren, evalueren en ondertekenen van een plan van aanpak en het niet of niet voldoende meewerken aan de uitvoering daarvan. Ingevolge artikel 9, lid 1, aanhef en onder c juncto artikel 9, lid 2 van de Maatregelenverordening bedraagt bij een gedraging uit categorie 3 de hoogte van de maatregel 100% van de norm gedurende één maand.
4. Verweerder heeft in het geval van verzoeker met het besluit een maatregel opgelegd van 100% van de norm gedurende twee maanden, omdat volgens verweerder sprake is van recidive. Artikel 9, lid 3 onder a, aanhef en onder het derde streepje, van de Maatregelen-verordening vereist voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in geval van een gedraging uit categorie 3 dat de belanghebbende in de twaalf maanden daarvoor een maatregel is opgelegd wegens een verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie. Aan dit vereiste is in het geval van verzoeker niet voldaan, omdat de drie eerdere maatregelen die verzoeker zijn opgelegd, betrekking hebben op gedragingen uit categorie 2. Verzoeker heeft zich dus voor wat betreft de gedraging uit categorie 3 niet opnieuw schuldig gemaakt aan een gedraging uit dezelfde categorie. Omdat geen sprake is van recidive van een gedraging uit categorie 3, heeft verweerder ten onrechte de duur van de maatregel verdubbeld. Verweerder was slechts bevoegd tot het opleggen van een maatregel van 100% van de norm gedurende één maand en heeft ten onrechte aan verzoeker een maatregel opgelegd van 100% van de norm gedurende twee maanden.
5. Het voorgaande is voor de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het besluit te schorsen met ingang van 1 januari 2013, zodat een maatregel van 100% over één maand resteert. Dit betekent dat verweerder verzoekers Wwb-uitkering over januari 2013 aan hem zal moeten betalen. Dit laat overigens onverlet dat verzoeker verplicht blijft mee te werken aan elke voorziening die verweerder hem aanbiedt en die erop is gericht verzoeker algemeen geaccepteerde arbeid te laten verrichten.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt voorts verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de proceskosten betalen aan de rechtshulpverlener van verzoeker.
7. Tot slot zal de voorzieningenrechter verweerder gelasten het door verzoeker betaalde griffierecht van € 42,-- aan hem te vergoeden.
8. De voorzieningenrechter deelt mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2013 te Haarlem door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden: