ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4176

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
13/871, 13/1080
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • A.C. Terwiel - Kuneman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13, tweede lid, onder c WwbArt. 8:86 AwbWet werk en bijstand (Wwb)Wet op de studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WWB-uitkering wegens niet benutten studiefinancieringsmogelijkheid

Eisers, beiden jonger dan 27 jaar en met drie jonge kinderen, ontvingen een WWB-uitkering die per 1 september 2012 werd ingetrokken omdat zij onderwijs kunnen volgen dat bekostigd wordt uit de rijkskas en aanspraak kunnen maken op studiefinanciering. Verweerder stelde dat het niet benutten van deze opleidingsmogelijkheid aanleiding gaf tot intrekking van de uitkering.

Eisers voerden aan dat zij zich hadden ingespannen voor inschrijving maar werden afgewezen vanwege leeftijd en ervaring, en dat de zorg voor hun kinderen het volgen van een opleiding bemoeilijkte. De voorzieningenrechter oordeelde dat het aan eiseres te verwijten was dat zij de opleidingsmogelijkheid niet had benut en dat de zorg voor kinderen geen belemmering vormde, mede omdat eiser de zorgtaken zou kunnen overnemen.

De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de uitkering terecht was en wees het beroep ongegrond. Ook werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de WWB-uitkering omdat eisers de studiefinancieringsmogelijkheid niet hebben benut.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 13/871 en 13-1080
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eisers], te [woonplaats], eisers
(gemachtigde: mr. S. Çakici-Reinders),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: T. van den Hoff ).
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers bericht dat zij vanaf 11 april 2012 recht hebben op een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb). Voorts heeft verweerder bij dit besluit de Wwb-uitkering van eisers ingetrokken per 1 september 2012, omdat eisers beiden onderwijs kunnen volgen die bekostigd wordt uit de rijkskas, waarbij er aanspraak is op studiefinanciering.
Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter voorts verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 13/871.
Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 8 februari 2013, verzonden 11 februari 2013, (het bestreden besluit) het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Het beroep is geregistreerd onder nr. AWB 13/1080.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2013. [Eiser] (hierna: eiser) is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2. Eisers wonen samen sinds 11 april 2012. Zij hebben de zorg voor drie minderjarige kinderen. Eisers zijn beiden jonger dan 27 jaar: eiser is geboren op [...] 1986 en [eiseres] (hierna: eiseres) is geboren op [...] 1987.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers zich hadden kunnen inschrijven voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. Zij hebben dat echter niet gedaan. Eisers hebben aangegeven dat zij liever aan het werk gaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers beiden leerbaar zijn. Nu er voorts mogelijkheden waren om in aanmerking te komen voor studiefinanciering terwijl eisers zich richtten op werk in plaats van scholing, hebben zij vanaf 1 september 2012 geen recht meer op bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, onder c, Wwb. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat in het primaire besluit aan beide eisers een scholingsplicht is opgelegd. In de beslissing op bezwaar is dat niet met zoveel woorden opgenomen. Het gaat er volgens verweerder om dat als een van de eisers in september 2012 met een opleiding was begonnen, zij beiden uit de bijstand zouden zijn gekomen omdat zij dan recht zouden hebben gehad op studiefinanciering. De studiefinanciering is dus een voorliggende voorziening, aldus verweerder.
4. Eisers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij wijzen erop dat zij zich wel degelijk hebben ingespannen om zich in te schrijven bij een opleiding. Zij zijn echter beiden afgewezen. Ofwel zij waren te oud, ofwel zij hadden te weinig ervaring. Ook stond het feit dat eisers drie jonge kinderen hebben in de weg aan het volgen van een opleiding. Dat zij niet tot een opleiding werden toegelaten, is niet aan eisers te wijten. Eiser is ingeschreven bij uitzendbureaus. De bedoeling is dat hij wordt opgeleid tot chauffeur. Eiseres heeft een nulurencontract bij een zorginstelling. Eisers hebben een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, omdat zij niet beschikken over inkomsten. De huur is al vijf maanden niet betaald. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. Als eisers al studiefinanciering zouden kunnen krijgen, dan is dit onvoldoende om de kinderen te kunnen onderhouden. Ter zitting hebben eisers hieraan toegevoegd, dat zij beiden hebben voldaan aan de eisen die verweerder heeft gesteld. Eisers hebben voorts aangevoerd dat zij geen achtervang hebben voor de opvang van een ziek kind. Hierdoor is het voor hen niet mogelijk om beiden fulltime een opleiding te gaan volgen.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
5. Artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c Wwb luidt als volgt:
‘Geen recht op algemene bijstand heeft degene:
c. die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:
1º in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel
2º in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.’
6. Onbetwist is dat eisers beiden leerbaar zijn. Dit houdt in dat zij lichamelijk en psychisch in staat zijn een voor hen passende opleiding te volgen. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat weliswaar aan beide eisers een scholingsplicht is opgelegd, maar dat dit ook inhoudt dat wanneer een van beiden met een opleiding start waarbij recht op studiefinanciering bestaat, eisers beiden niet meer (volledig) bijstandsafhankelijk zouden zijn. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat studiefinanciering met partnertoeslag per maand ongeveer zou neerkomen op een bedrag van € 1.200,-- netto.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat eiseres begin september 2012 de mogelijkheid had om zich bij het [naam school] in te schrijven voor een voltijdse opleiding (BOL). Vaststaat dat zij dit niet heeft gedaan. Uit de stukken komt naar voren dat eiseres het niet zag zitten om een fulltime opleiding te gaan volgen, omdat zij drie jonge kinderen heeft.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aan eiseres kan worden verweten dat zij de onder 6. vermelde opleidingsmogelijkheid niet heeft benut. De omstandigheid dat eisers drie jonge kinderen hebben, kan niet in de weg staan aan het volgen door eiseres van een opleiding. Immers, ter zitting is komen vast te staan dat eiser, na herhaalde sollicitaties, er niet in is geslaagd om een opleiding dan wel werk te vinden. Als eiseres de opleidingsmogelijkheid bij het [naam school] zou hebben benut, zou zij recht hebben gehad op studiefinanciering met partnertoeslag en eiser had in dat geval de verzorging van de drie kinderen voor zijn rekening kunnen nemen. Niet aannemelijk is dat eisers hun kinderen niet van de studiefinanciering zouden kunnen onderhouden. Voor zover dit al het geval zou zijn, heeft verweerder ter zitting verklaard dat het voor eisers mogelijk is om aanvullende bijstand te krijgen.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht en op goede gronden de Wwb-uitkering van eisers per 1 september 2012 heeft ingetrokken. Het beroep is dan ook ongegrond. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daartoe dan ook afwijzen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel - Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2013.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat uitsluitend hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, voor zover het gaat om de beslissing op het beroep.