ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4187
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- W.J. van Brussel
- Rechtspraak.nl
Schorsing intrekking WWB-uitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Verzoeker ontving een WWB-uitkering als alleenstaande ouder en werd geconfronteerd met intrekking van deze uitkering omdat verweerder meende dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn vriendin sinds 15 augustus 2012. Verweerder baseerde dit op inschrijving op hetzelfde adres, het aanduiden als partners op een wijzigingsformulier en financiële transacties zoals het delen van energiekosten en boodschappen.
Verzoeker betwistte dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, stelde dat er geen financiële verstrengeling of wederzijdse zorg was en wees op zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal en culturele verschillen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de enkele aanduiding als partners en het delen van enkele kosten onvoldoende bewijs vormen voor een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 WWB Pro.
De rechter benadrukte dat verweerder nader onderzoek moet verrichten alvorens tot intrekking over te gaan. Gezien de belangen en het ontbreken van voldoende feitelijke grondslag werd het primaire besluit geschorst vanaf 18 januari 2013 tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het primaire besluit tot intrekking van de WWB-uitkering wordt geschorst wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.